Nederlands urencriterium voor buitenlandse ondernemers in strijd met EU-recht

23 maart 2010

Samenvatting

Het Hof van Justitie EU heeft op 18 maart 2010 beslist dat een voor buitenlandse belastingplichtigen geldende (beperkende) Nederlandse wetsbepaling over het urencriterium in strijd is met de vrijheid van vestiging uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Dat is óók het geval als een buitenlandse belastingplichtige kan kiezen om fiscaal te worden behandeld als een binnenlandse belastingplichtige. In de Nederlandse regeling over het urencriterium kunnen buitenlandse belastingplichtigen de in een andere lidstaat gewerkte uren niet meetellen om in aanmerking te komen voor diverse fiscale ondernemersfaciliteiten zoals de zelfstandigenaftrek. Deze regeling werkt daarom in het nadeel van hoofdzakelijk deze belastingplichtigen. Naar het oordeel van het HvJ EU levert een dergelijke regeling daarom een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van het VWEU op. Op 27 oktober 2009 had Advocaat-Generaal Ruiz-Jarabo Colomer al in dezelfde zin geconcludeerd.

Volledig artikel

Het Hof van Justitie EU heeft op 18 maart 2010 arrest gewezen in een PwC-procedure over de rechtmatigheid van de Nederlandse regeling over zelfstandigenaftrek, waarin is bepaald dat een ondernemer moet voldoen aan het zogeheten urencriterium om in aanmerking te komen voor de aftrek. Dit urencriterium houdt in dat in een jaar minimaal 1225 uur aan werkzaamheden voor één of meer ondernemingen moet zijn besteed. Voor inwoners van Nederland tellen hiervoor alle uren mee, maar voor buitenlandse belastingplichtigen alleen de uren die zijn besteed aan de Nederlandse onderneming(en). Buitenlandse belastingplichtigen kunnen echter wel gebruikmaken van de keuzeregeling, waardoor zij (in grote lijnen) fiscaal worden behandeld als een binnenlandse belastingplichtige.
 
De Hoge Raad had in zijn arrest van 12 september 2008 aan het Hof van Justitie EU de prejudiciële vraag gesteld of Nederland onderscheid mag maken tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen voor de toepassing van het urencriterium, omdat buitenlandse belastingplichtigen de mogelijkheid zouden hebben om te kiezen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.
 
Op 27 oktober 2009 concludeerde Advocaat-Generaal Ruiz-Jarabo Colomer dat de keuzeregeling niet kan fungeren als rechtvaardigingsgrond voor de strijdigheid met het gemeenschapsrecht. De A-G stelde dat binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen zich voor de zelfstandigenaftrek in een vergelijkbare situatie bevinden. Een nationale regeling die met het oog op een fiscaal voordeel gebruikmaakt van een „urencriterium” waardoor de buitenlandse belastingplichtigen de in een andere lidstaat gewerkte uren niet kunnen meetellen, werkt in het nadeel van hoofdzakelijk deze belastingplichtigen. Een dergelijke regeling levert daarom een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op. Het argument dat de keuze voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige de discriminatie kan wegnemen, doet volgens de A-G hieraan niet af.
 
Het HvJ EU was het met de A-G eens en benadrukte dat een nationale regeling die de vrijheid van vestiging beperkt, nog steeds in strijd is met het recht van de Unie, ook al is de toepassing daarvan facultatief. Het HvJ EU kwam tot het oordeel dat de mogelijkheid voor de buitenlandse belastingplichtige om te kiezen voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtige de geconstateerde discriminatie niet neutraliseert
 
Bron: Hof van Justitie EU, 18-3-2010, nr. C-440/08 (de zaak Gielen).