23 februari 2009
De Hoge Raad heeft onlangs drie arresten gewezen over de zogeheten emigratieheffing van aanmerkelijkbelanghouders. Deze heffing houdt een fiscale claim in van de Nederlandse fiscus op de waardestijging van aanmerkelijkbelangaandelen gedurende de periode dat de aanmerkelijkbelanghouder inwoner was van Nederland. De fiscus legt dan een conserverende aanslag op die na verloop van een aantal jaren (afhankelijk van het van toepassing zijnde belastingverdrag) vervalt als de aandelen niet zijn vervreemd. In een van de zaken heeft het Europese Hof van Justitie op 7 september 2006 uitspraak gedaan over de vraag in hoeverre een emigratieheffing verenigbaar is met het EG-recht. De Hoge Raad liet in de drie procedures de belastingaanslagen met daarin de conserverende aanslagen (materieel) in stand, omdat in de onderhavige procedures de Nederlandse regeling voor de emigratieheffing niet (langer) in strijd was met het EG-recht of niet in strijd was met de goede verdragstrouw jegens het andere verdragsland.
| Volledig bericht |
De Hoge Raad heeft onlangs drie arresten gewezen over de zogeheten emigratieheffing van aanmerkelijkbelanghouders. Deze heffing houdt een fiscale claim in van de Nederlandse fiscus op de waardestijging van aanmerkelijkbelangaandelen gedurende de periode dat de aanmerkelijkbelanghouder inwoner was van Nederland. De fiscus legt dan een voorlopige aanslag, een ‘gewone’ aanslag of een navorderingsaanslag op met daarin een vastgestelde fiscale claim op de waardestijging (conserverende aanslag). Na verloop van een aantal jaren (afhankelijk van het van toepassing zijnde belastingverdrag) vervalt de conserverende aanslag als de aandelen niet zijn vervreemd. Over een van de drie arresten hebben we tweemaal eerder bericht. In de procedure waarbij de aanmerkelijkbelanghouder naar het Verenigd Koninkrijk was geëmigreerd, heeft het Europese Hof van Justitie op 7 september 2006 een prejudiciële uitspraak gedaan en aangegeven in hoeverre een emigratieheffing verenigbaar is met het EG-recht. Zo is het voor de aanvaardbaarheid van een emigratieheffing essentieel dat de oude woonstaat en/of de nieuwe woonstaat rekening houden met waardedalingen van de aanmerkelijkbelangaandelen na de emigratie. Hof Arnhem heeft vervolgens op 31 augustus 2007 opnieuw uitspraak gedaan. Zowel de fiscus als de aanmerkelijkbelanghouder ging in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad liet in de drie procedures de belastingaanslagen met daarin de conserverende aanslagen (materieel) in stand, omdat in de onderhavige procedures de Nederlandse regeling voor de emigratieheffing niet (langer) in strijd was met het EG-recht (onder meer vanwege het vervallen van het vereiste van zekerheidstelling voor het uitstel van betaling voor de conserverende aanslag) of niet in strijd was met de goede verdragstrouw tegenover het andere verdragsland (aangezien geen sprake was van eenzijdige uitbreiding door Nederland van zijn heffingsbevoegdheid onder het toepasselijke verdrag). Opmerking De rechtsvraag in de drie arresten is van geheel andere orde dan die van de procedures over de aanvaardbaarheid van de eis van verplichte zekerheidstelling voor het verkrijgen van uitstel van betaling voor de conserverende aanslag door Nederland maar ook andere lidstaten (Frankrijk, o.a. het arrest Hughes de Lasteyrie). Deze eis kon onder omstandigheden hoge kosten meebrengen, hetgeen strijd kon opleveren met het EG-recht (het beginsel van vrijheid van vestiging). Nederland heeft de emigratieheffing inmiddels drastisch aangepast. Zo hoeft vanaf 11 maart 2004 een emigrant die vertrekt uit Nederland en een conserverende aanslag krijgt opgelegd, geen zekerheid meer te stellen om uitstel van betaling te verkrijgen. Dit geldt echter alleen voor zover de emigrant naar een lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte emigreert. Verder houdt Nederland voortaan ook rekening met waardedalingen van een aanmerkelijkbelangpakket na emigratie gedurende de periode van de conserverende aanslag na emigratie. Deze laatste wijziging is gekomen bij de wet Overige fiscale maatregelen 2005. Bron: Hoge Raad, 20-2-2009, nrs. 42701, 43760 en 07/12314.
|