Samenvatting
Schenkingen aan en erfrechtelijke verkrijgingen door algemeen nut beogende instellingen (anbi’s) zijn sinds 1 januari 2006 volledig vrijgesteld van schenkingsrecht en successierecht als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Voor het jaar 2005 gold voor anbi’s een drempelvrijstelling met een laag vast tarief van 8%. Voor de jaren vóór 2005 gold sinds 1981 een ander laag vast tarief: 11%. Rechtbank Den Haag heeft onlangs beslist dat een algemeen nut beogende stichting kwalificeerde voor het 11%-tarief over een aanzienlijke erfrechtelijke verkrijging. De stichting was door een man en zijn echtgenote vier jaar voor zijn overlijden opgericht. De stichting beschikte zowel in de vier jaar vóór het overlijden, eind 2004, als daarna niet over te besteden vermogen en verrichtte geen werkzaamheden. De rechtbank was van oordeel dat het reeds (kunnen) verrichten van activiteiten niet nodig is om toch in aanmerking te kunnen komen voor het 11%-tarief. Het stond vast dat het doel van de stichting het algemeen belang rechtstreeks raakte en dat door de stichting geen activiteiten in strijd met dit doel waren verricht.
Volledig artikelOp 1 januari 2008 is de nieuwe regeling voor de aanwijzing van algemeen nut beogende instellingen (anbi’s) in werking getreden. Een kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instelling kan onder voorwaarden kwalificeren als een aangewezen anbi. De aanwijzing als anbi is gunstig, want het is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor enkele fiscale faciliteiten, te weten de giftenaftrek in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting en de vrijstellingen in de Successiewet.
Het tarief schenkingsrecht en successierecht is de laatste jaren enige malen gewijzigd. Schenkingen aan en erfrechtelijke verkrijgingen door anbi’s zijn sinds 1 januari 2006 volledig vrijgesteld van schenkingsrecht en successierecht als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Voor het jaar 2005 gold voor anbi’s een drempelvrijstelling met een laag vast tarief van 8%. Voor de jaren 1981 tot 2005 gold een ander laag vast tarief: 11%.
Rechtbank Den Haag heeft onlangs een uitspraak gedaan over de vraag of een stichting op het moment van het overlijden van een van de oprichters kwalificeerde als een anbi en of het nog niet verrichten van feitelijke activiteiten door de stichting overeenkomstig haar doelstelling een belemmering zou kunnen zijn voor deze kwalificatie.
De procedure betrof kort gezegd een ouder echtpaar dat eind 2000 een stichting had opgericht. De stichting had als doel: ‘het verlenen van steun aan charitatieve instellingen, werkzaam op medisch gebied, alsmede aan charitatieve en wetenschappelijke instellingen, die speciaal werkzaam zijn op het gebied van de alternatieve geneeswijzen en psychosomatische ziekten’.
De man overleed in 2004 en had de stichting aangewezen als enige erfgename van zijn vermogen, waarvan zijn achtergebleven echtgenote het vruchtgebruik kreeg. De stichting verkreeg een bedrag van bijna € 5 miljoen. De inspecteur paste op deze verkrijging het (hoge) tarief van tariefgroep III toe. Hij was van mening dat de stichting niet kwalificeerde als anbi, omdat de stichting nog geen werkzaamheden overeenkomstig haar doelstelling had verricht en legde de stichting een aanslag op van ruim € 3,3 miljoen. De stichting was echter van mening dat zij wel kwalificeerde als een anbi en maakte aanspraak op toepassing van het 11%-tarief.
De rechtbank ging te rade bij de statuten van de stichting. Daarin was opgenomen dat na het overlijden van beide oprichters en/of het (vrijwillig) defungeren van de langstlevende echtenoot, een definitief bestuur zou aantreden. Dit definitieve bestuur zou onder meer vaststellen welke instellingen in aanmerking zouden komen voor een uitkering van de stichting. Tot het aantreden van het definitieve bestuur zou alleen nog sprake zijn van vermogensvorming voor toekomstige uitkeringen. Verder bepaalden de statuten dat bij het opheffen van de stichting het batige saldo zo veel mogelijk zou worden bestemd overeenkomstig het doel van de stichting.
De rechtbank stelde voorop dat (in 2004) geen wettelijke definitie bestond van een anbi. Wel werd in de rechtspraak ervan uitgegaan dat voor een dergelijke beoordeling niet alleen moet worden gelet op de statutaire doelstelling van de stichting, maar ook wat de stichting via haar feitelijke werkzaamheden in werkelijkheid nastreeft.
De rechtbank wees het standpunt van de inspecteur af dat de stichting tussen haar oprichting en erfrechtelijke verkrijging al uitkeringen had moeten doen om te kunnen kwalificeren als anbi. Dit zou niet alleen in strijd zijn met de bedoeling van de oprichters en direct in strijd met de doelstelling van de stichting zelf, maar bovendien geldt een dergelijke eis niet om te kunnen worden aangemerkt als anbi. Op de zitting bij de rechtbank erkende de inspecteur verder dat bij testament in het leven geroepen stichtingen voor verkrijgingen uit datzelfde testament, als anbi’s kunnen worden aangemerkt. Voorafgaan
d hoeven niet al werkzaamheden overee nkom stig de doelstelling te zijn verricht.
De rechtbank was van oordeel dat in de statuten van de stichting in voldoende mate was geregeld dat over aanwending van het vermogen van de stichting niet door de oprichters of aan hen gelieerde personen wordt beslist en dat van handelen in strijd met de statuten niet was gebleken.
De rechtbank verklaarde het beroep van de stichting gegrond. Na herstel van een fout in de berekening van de erfrechtelijke verkrijging van de stichting stelde de rechtbank de aanslag successierecht vast op ruim € 4,9 miljoen onder toepassing van het 11%-tarief. Dat leidde tot een bedrag aan successierecht van € 544.917. Een groot verschil.
Bron: Rechtbank Den Haag, 24-7-2009, nr. 08/4404 (gepubliceerd 29-7-2009).