Samenvatting
Sinds 1 januari 2006 kunnen werknemers deelnemen aan de zogenoemde levensloopregeling. Door middel van de deelname aan levensloopregeling kunnen werknemers een toekomstige verlofperiode financieren, bijvoorbeeld ouderschapsverlof of een sabbatical. Bij levensloopregelingen geven werkgevers vaak een bijdrage aan hun werknemers, de zogenoemde levensloopbijdrage. Het komt voor dat een werkgever een of meer werknemers een levensloopbijdrage verstrekt die hoger is dan de levensloopbijdrage aan vergelijkbare werknemers, die niet deelnemen aan de levensloopregeling. Volgens de letterlijke wettekst over de levensloopregeling moeten in dat geval in principe alle levensloopaanspraken in de heffing worden betrokken, óók die van deelnemers die niet een hogere levensloopbijdrage hebben ontvangen dan de niet-deelnemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren. Minister De Jager van Financiën acht dit fiscale gevolg ongewenst en heeft op dit punt in een samenvoegingsbesluit een goedkeuring bekendgemaakt. De levensloopaanspraken van de deelnemers aan een levensloopregeling die geen hogere levensloopbijdrage krijgen dan vergelijkbare werknemers, die niet deelnemen aan de levensloopregeling, worden op basis van deze goedkeuring niet in de heffing betrokken. De goedkeuring geldt niet voor de levensloopaanspraken van werknemers die wel een hogere levensloopbijdrage kregen dan vergelijkbare werknemers. Die levensloopaanspraken behoren wel tot het loon voor de loonheffingen. Het samenvoegingsbesluit is op 3 september 2010 in werking getreden en vervangt een aantal besluiten uit voorgaande jaren.
Volledig artikelSinds 1 januari 2006 kunnen werknemers deelnemen aan de zogenoemde levensloopregeling. Door middel van de deelname aan levensloopregeling kunnen werknemers een toekomstige verlofperiode financieren, bijvoorbeeld ouderschapsverlof of een sabbatical. Tijdens de verlofperiode kunnen de werknemers geld opnemen uit de levenslooppot. De levenslooppot bevat het saldo van hetgeen de werknemer gedurende zijn of haar gehele spaarperiode heeft opgebouwd. De werknemer mag jaarlijks (enkele uitzonderingen daargelaten) maximaal 12% sparen van het brutoloon dat hij of zij in een bepaald jaar verdient. Om in een bepaald jaar te mogen sparen, mag het totale saldo van de levenslooppot in beginsel maximaal 210% van het bruto jaarloon van de werknemer over het voorafgaande jaar bedragen. Voor de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw geldt de zogeheten omkeerregel voor de inleg en opname van het levenslooptegoed – net als bij pensioenaanspraken. De opbouw van het levenslooptegoed is onbelast (de inleg door de werknemer is aftrekbaar) en de opname van het tegoed is vervolgens belast voor de loonheffing. Voor de premieheffing werknemersverzekeringen geldt de omkeerregel op dit moment nog niet.
Werkgevers geven vaak een bijdrage voor de levensloopregeling aan hun werknemers, de zogenoemde levensloopbijdrage. Deze bijdrage moet aan twee eisen voldoen voor de toepassing van de faciliteiten van de levensloopregeling:
Voor de niet-deelnemers behoort de bijdrage op het genietingsmoment tot het loon voor alle loonheffingen. Het komt voor dat een werkgever een of meer werknemers een levensloopbijdrage verstrekt die hoger is dan de levensloopbijdrage aan vergelijkbare werknemers, die niet deelnemen aan de levensloopregeling. Volgens de letterlijke wettekst over de levensloopregeling moeten in dat geval in principe alle levensloopaanspraken in de heffing worden betrokken, óók die van deelnemers die niet een hogere levensloopbijdrage hebben ontvangen dan de niet-deelnemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren.
Minister De Jager van Financiën acht dit fiscale gevolg ongewenst en heeft op dit punt in een samenvoegingsbesluit een goedkeuring bekendgemaakt. De levensloopaanspraken van de deelnemers aan een levensloopregeling die geen hogere levensloopbijdrage krijgen dan vergelijkbare werknemers die niet deelnemen aan de levensloopregeling worden op basis van deze goedkeuring niet in de heffing betrokken. De goedkeuring geldt niet voor de levensloopaanspraken van werknemers die wel een hogere levensloopbijdrage kregen dan vergelijkbare werknemers. Die levensloopaanspraken behoren wel tot het loon voor de loonheffingen.
Het samenvoegingsbesluit is op 3 september 2010 in werking getreden en vervangt een aantal besluiten uit voorgaande jaren.
Opmerking
Momenteel is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel Uniformering loonbegrip aanhangig. Dit wetsvoorstel heeft onder meer tot doel om op de levensloopaanspraken wat betreft de premieheffing werknemersverzekeringen de omkeerregel ook toe te passen. Door de val van het kabinet Balkenende dit voorjaar is het wetsvoorstel echter controversieel verklaard.
Bron: Ministerie van Financiën, 26-8-2010, nr. DGB2010/2527M (gepubliceerd 2-9-2010).