Definitief rapport commissie Van Dijkhuizen over herziening inkomstenbelasting gepubliceerd

19 juni 2013

Samenvatting

Op 17 juni 2013 heeft commissie Van Dijkhuizen het definitieve rapport over de herziening van de inkomstenbelasting gepubliceerd. De meest in het oog springende aanvullingen op het interimrapport zijn de volgende: de hoogte van het forfaitaire rendement in box 3 gaat omlaag van 4% naar 3% en zou gekoppeld kunnen worden aan de spaarrente van de voorafgaande vijf jaren (voor 2014 zou dit tot een forfaitair rendement leiden van 2,4%); er komt een forfaitair rendement van 2,4% over het box 2-vermogen (aandelenvermogen van directeur-grootaandeelhouder); het box 2-tarief gaat omlaag van 25% naar 22%; het ‘gebruikelijk loon’ dat een directeur-grootaandeelhouder voor zichzelf fiscaal mag vaststellen, mag niet maximaal 30% maar maximaal 10% afwijken van wat een vergelijkbare werknemer zonder aandelenbelangen’ verdient; de eigen woning wordt geleidelijk overgebracht van box 1 naar box 3, waarbij de aftrekbaarheid van hypotheekrente van een eigenwoninglening voor bestaande en nieuwe gevallen in één keer wordt beperkt tot het tarief in de eerste belastingschijf (37%); de zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd tot een ‘huishoudentoeslag’ met een uniform afbouwpercentage dat onafhankelijk is van het aantal toeslagen of het inkomen.

Volledig artikel

Op 17 juni 2013 heeft commissie Van Dijkhuizen het definitieve rapport over de herziening van de inkomstenbelasting gepubliceerd. Op 17 oktober 2012 had deze commissie al een interimrapport uitgebracht met een aantal maatregelen dat voornamelijk betrekking hadden op box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning). Het definitieve rapport bevat ook maatregelen voor box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang) en box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen).

De meest in het oog springende aanvullingen op het interimrapport zijn de volgende:

  1. De hoogte van het forfaitaire rendement in box 3 gaat omlaag van 4% naar 3% en zou gekoppeld kunnen worden aan de spaarrente van de voorafgaande vijf jaren. Voor 2014 zou dit tot een forfaitair rendement leiden van 2,4%. De ouderentoeslag op het heffingvrije vermogen in box 3 wordt in achttien jaarlijkse stappen afgebouwd;
  2. Er komt een forfaitair rendement van 2,4% over het box 2-vermogen (aandelenvermogen van directeur-grootaandeelhouder). Bedraagt het feitelijke dividend minder dan het forfaitaire rendement, dan wordt het verschil bijgeboekt bij de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang;
  3. Het box 2-tarief gaat omlaag van 25% naar 22%; 
  4.  Het ‘gebruikelijk loon’ dat een directeur-grootaandeelhouder voor zichzelf fiscaal mag vaststellen, mag niet maximaal 30% maar maximaal 10% afwijken van wat een ‘vergelijkbare werknemer zonder aandelenbelangen’ verdient;
  5. De eigen woning wordt geleidelijk overgebracht van box 1 naar box 3. De aftrekbaarheid van hypotheekrente van een eigenwoninglening voor bestaande en nieuwe gevallen wordt daarbij in één keer beperkt tot het tarief in de eerste belastingschijf (37%). Volledige aflossing van de eigen woningschuld is niet meer verplicht, aflossing tot de helft van de waarde van de woning volstaat. De overdrachtsbelasting op woningen vervalt. De rente op een restschuld van een voormalige eigen woning blijft gedurende twaalf jaar aftrekbaar als eigenwoningrente.
  6. De huren in de gereguleerde sector gaan geleidelijk omhoog en worden afgeroomd door een verhuurderheffing; 
  7. De zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd tot een ‘huishoudentoeslag’ met een uniform afbouwpercentage dat onafhankelijk is van het aantal toeslagen of het inkomen.
  8. Maximaal de eerste € 1.100 aan huishoudentoeslag per persoon wordt niet meer aan de burger uitbetaald maar aan de zorgverzekeraar. Het overige wordt wel aan de burger uitbetaald.

Over de aanpassingen in box 1 heeft de commissie nog nadere preciseringen aangebracht. De eindsituatie is als volgt:

  1. Het aantal tariefschijven wordt teruggebracht naar twee. Het laagste tarief bedraagt 37% en het hoogste tarief 49%. In latere jaren kunnen de tarieven verder dalen tot 34% en 46%. De lengte van de eerste belastingschijf (€ 19.645, jaar 2013) gaat met circa € 20.000 omhoog naar ruim € 60.000;
  2. De algemene heffingskorting (€ 2001, jaar 2013) gaat met € 300 omhoog;
  3. De arbeidskorting (maximaal € 1.723, jaar 2013) gaat met € 400 omhoog;
  4. Voor zover aftrekposten in box 1 blijven bestaan, adviseert de commissie om deze zo veel mogelijk de vorm te geven van heffingskortingen en waarbij de kosten worden verrekend tegen een vast tarief. 

Bron: Ministerie van Financiën, 18-6-2013, Nieuwsbericht.