Samenvatting
Advocaat-Generaal Kokott van het Europese Hof van Justitie vindt een beperkte reikwijdte van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime niet in strijd met het EG-verdrag en in het bijzonder de vrijheid van vestiging. In het sinds 1 januari 2003 geldende regime kan een in het buitenland gevestigde dochtervennootschap geen deel uitmaken van een fiscale eenheid, tenzij de dochtervennootschap in Nederland over een vaste inrichting beschikt. In dat geval kan de vaste inrichting wel worden opgenomen in de fiscale eenheid. De A-G vindt de handhaving van de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de lidstaten een rechtvaardiging voor de beperkte reikwijdte. De A-G heeft op 19 november 2009 conclusie genomen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad in de zaak X Holding NV.
Volledig artikelAdvocaat-Generaal (A-G) Kokott van het Europese Hof van Justitie vindt een beperkte reikwijdte van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime niet in strijd met het EG-verdrag en in het bijzonder met de vrijheid van vestiging. In het sinds 1 januari 2003 geldende Nederlandse regime kan een in het buitenland gevestigde dochtervennootschap geen deel uitmaken van een fiscale eenheid, tenzij de dochtervennootschap in Nederland over een vaste inrichting beschikt. In dat geval kan de vaste inrichting wel worden opgenomen in de fiscale eenheid.
De A-G vindt de handhaving van de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de lidstaten een rechtvaardiging voor de beperkte reikwijdte. De A-G heeft op 19 november 2009 conclusie genomen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad in de zaak X Holding NV over het Nederlandse regime van de fiscale eenheid.
Een fiscale eenheid heeft voor internationaal opererende concerns diverse voordelen. Zo kunnen in een fiscale eenheid opgenomen vennootschappen onderling winsten en verliezen verrekenen. Daarnaast kunnen reorganisaties binnen de ondernemingsgroep worden doorgevoerd door vermogensbestanddelen over te dragen zonder te hoeven afrekenen over daarin besloten liggende stille reserves e.d. Verder zijn transacties binnen de ondernemingsgroep fiscaal neutraal, dat wil zeggen dat geen winst hoeft te worden genomen op transacties tussen vennootschappen die tot de fiscale eenheid behoren. Ten slotte hoeft een fiscale eenheid slechts één aangifte vennootschapsbelasting in te dienen en niet elke afzonderlijke vennootschap.
De A-G stelt voorop dat voor het toekennen van een fiscaal voordeel alleen aan ingezeten belastingplichtigen objectieve gronden moeten bestaan die het verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen. Een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen EU-lidstaten is zo’n rechtvaardigingsgrond.
De heffingsbevoegdheid is gewoonlijk gebaseerd op de zetel van een onderneming en de plaats van haar economische activiteiten. Een vennootschap is in haar staat van vestiging onbeperkt belastingplichtig over haar wereldwijde inkomen. In staten waarin de vennootschap een economische activiteit ontwikkelt zonder daar haar zetel te hebben, is de vennootschap beperkt belastingplichtig over de daar verkregen inkomsten.
Een dochtervennootschap is als zelfstandige rechtspersoon in haar staat van vestiging onbeperkt belastingplichtig. De staat van vestiging van de moedervennootschap heeft niet het recht belasting te heffen over de niet-uitgekeerde winst van een in een andere staat gevestigde dochtervennootschap. Een vaste inrichting is daarentegen geen zelfstandige rechtspersoon. Haar inkomsten worden beschouwd als inkomsten van de vennootschap waarmee zij verbonden is, en zijn op de plaats van de hoofdzetel van deze vennootschap onbeperkt aan de belasting onderworpen. Tegelijk heeft de staat waarin de vaste inrichting is gelegen, met betrekking tot deze inkomsten een beperkt heffingsrecht.
Zou de regeling betreffende de fiscale behandeling van buitenlandse vaste inrichtingen worden toegepast op buitenlandse dochtervennootschappen, dan leidt dat tot een uitbreiding van de fiscale rechtssfeer van de staat van vestiging van de moedervennootschap. De A-G beschouwt dit gevolg als een bedreiging voor de verdeling van de heffingsbevoegdheden tussen de lidstaten.
Wat betreft de grensoverschrijdende overbrenging van vermogensbestanddelen tussen een moedervennootschap en haar buitenlandse dochtervennootschap merkt de A-G op dat dit de verdeling van heffingsrechten tussen de lidstaten aantast. De lidstaten kunnen hiertegen maatregelen treffen om te voorkomen dat zij niet langer heffingsbevoegd zijn over stille reserves in een overgedragen vermogensbestanddeel. De getroffen maatregelen moeten echter wel geschikt zijn om dit doel te bereiken en mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van dit doel. De A-G geeft aan dat het aan de Hoge Raad in Nederland is om in de procedure van X Holding NV hierover uitspraak te doen met inachtneming van deze uitgangspunten.
We houden u op de hoogte van het verdere verloop van de procedure.
Bron: Advocaat-Generaal van het Europese Hof van Justitie, 19-11-2009, C-337/08.