Beleidsstandpunten bij doorschuiffaciliteit bij inbreng ter beschikking gestelde onroerende zaak in NV/BV

22 juli 2010

Samenvatting

Minister De Jager van Financiën heeft onlangs een besluit uitgebracht met enige beleidsstandpunten over de toepassing van de doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting bij de inbreng van een ter beschikking gestelde onroerende zaak in een NV of BV. Het gaat om de volgende standpunten. Hoewel in de wetsgeschiedenis van deze faciliteit alleen werd gesproken over ‘een pand’, kan de faciliteit ook van toepassing zijn op onroerende zaken zoals (onbebouwde) gronden en landbouwgronden. Het is ook mogelijk om de faciliteit toe te passen op een ter beschikking gestelde onroerende zaak met achterlating van een andere ter beschikking gestelde onroerende zaak, indien in dat geval aan de overige voorwaarden van de faciliteit wordt voldaan. De faciliteit kan niet worden toegepast op een pand dat slechts gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap. Het hele pand -inclusief het niet ter beschikking gestelde gedeelte- moet in de vennootschap worden ingebracht. Bij de inbreng van een gezamenlijke onroerende zaak door in (beperkte of in algehele) gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten geldt een goedkeuring. Het is niet nodig dat de inbreng moet plaatsvinden in een daartoe nieuw op te richten vennootschap. De echtgenoten moeten daarbij wel samen gerechtigd zijn tot de onroerende zaak en alle aandelen in de bestaande vennootschap hebben. Ten slotte geeft de minister aan dat een inbreng in een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal eveneens in aanmerking kan komen voor de faciliteit. Het besluit is op 21 juli 2010 in werking getreden en werkt terug tot en met 1 januari 2010.

Volledig artikel

De Wet inkomstenbelasting 2001 bevat een tijdelijke faciliteit voor een in de praktijk gevoeld fiscaal knelpunt voor directeuren-grootaandeelhouders bij de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling. In de notitie Fiscale positie directeur-grootaandeelhouder was dit knelpunt al naar voren gekomen en via de wet Overige fiscale maatregelen 2010 zijn twee tijdelijke faciliteiten ingevoerd om het knelpunt weg te nemen: de doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting en een vrijstelling in de overdrachtsbelasting. De doorschuiffaciliteit biedt directeuren-grootaandeelhouders daarom in 2010 de mogelijkheid om het als knellend ervaren resultaatsregime zonder belastingheffing te verlaten. De doorschuiffaciliteit houdt in dat een ter beschikking gestelde onroerende zaak alleen in het jaar 2010 kan worden ingebracht in een NV of BV zonder heffing van inkomstenbelasting (door middel van doorschuiving van de boekwaarde) en zonder de heffing van overdrachtsbelasting. De doorschuiffaciliteit komt erop neer dat de terbeschikkingstelling -in fiscale zin opbrengsten genererend onder de noemer ‘resultaat uit een werkzaamheid’- voor het bepalen van de werkzaamheid geacht wordt niet te zijn gestaakt en dat de fiscale claim over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de boekwaarde van de onroerende zaak wordt vervangen door een gecombineerde claim van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang. Voor de toepassing van deze doorschuiffaciliteit gelden enige voorwaarden.
 
Minister De Jager van Financiën heeft onlangs een besluit uitgebracht met enige beleidsstandpunten over de toepassing van de doorschuiffaciliteit bij de inbreng van een ter beschikking gestelde onroerende zaak in een NV of BV. Het gaat om de volgende standpunten.
 
- In de wetsgeschiedenis van de doorschuiffaciliteit werd alleen gesproken over ‘een pand’. De minister geeft echter aan dat de faciliteit ook van toepassing kan zijn op onroerende zaken zoals (onbebouwde) gronden en landbouwgronden.
- Het is ook mogelijk om de faciliteit toe te passen op een ter beschikking gestelde onroerende zaak met achterlating van een andere ter beschikking gestelde onroerende zaak indien in dat geval aan de overige voorwaarden van de faciliteit wordt voldaan.
- De doorschuiffaciliteit kan niet worden toegepast op een pand dat slechts gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap. Het hele pand -inclusief het niet ter beschikking gestelde gedeelte- moet in de vennootschap worden ingebracht.
- Bij de inbreng van een gezamenlijke onroerende zaak door in (beperkte of in algehele) gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten geldt een goedkeuring. Het is niet nodig dat de inbreng moet plaatsvinden in een daartoe nieuw op te richten vennootschap. De echtgenoten moeten daarbij wel samen gerechtigd zijn tot de onroerende zaak en alle aandelen in de bestaande vennootschap hebben.
- Ook de inbreng in een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal kan in aanmerking komen voor de faciliteit.
 
Het besluit is op 21 juli 2010 in werking getreden en werkt terug tot en met 1 januari 2010.
 
Bron: Ministerie van Financiën, 12-7-2010, nr. DGB2010/414M (gepubliceerd 20-7-2010).