Keuze fiscaal partnerschap hoeft niet te worden bevestigd bij indienen van aangifte

24 juli 2007

Samenvatting

Vanaf 2001 kunt u bij uw aangifte inkomstenbelasting als ongehuwd samenwonenden onder voorwaarden kiezen voor het fiscaal partnerschap. Bent u getrouwd en woont u niet duurzaam gescheiden dan geldt dat u per definitie elkaars fiscaal partner bent en geen keuze kunt maken. Het fiscaal partnerschap kan voordelen opleveren. Onlangs besliste Rechtbank Arnhem dat noch uit de wet, noch uit de toelichting daarop volgt dat de bij de voorlopige teruggaaf gemaakte keuze zou moeten worden bevestigd via het indienen van een aangifte. Hierdoor had de man recht op uitbetaling van de algemene heffingskorting.

Volledig artikel

Vanaf 2001 kunt u bij uw aangifte inkomstenbelasting als ongehuwd samenwonenden onder voorwaarden kiezen voor het fiscaal partnerschap. Zie voor deze voorwaarden ons bericht van 30 december 2002. Bent u getrouwd en woont u niet duurzaam gescheiden dan geldt dat u per definitie elkaars fiscaal partner bent en geen keuze kunt maken. Het fiscaal partnerschap kan voordelen opleveren. De zaak was als volgt.
 
Een man en een vrouw wonen ongehuwd samen. De man had in januari 2001 elektronisch een verzoek voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting voor het jaar 2001 ingediend. In dit verzoek maakte de man de keuze voor fiscaal partnerschap, waarbij de naam van de vrouw werd vermeld. Op basis van de verstrekte gegevens betaalde de belastingdienst aan hem de algemene heffingskorting uit van € 1.576 (bedrag geldend voor 2001). De man diende echter zijn aangifte niet in bij de inspecteur. De vrouw had daarentegen wel over het jaar 2001 aangifte gedaan. In deze aangifte koos zij voor het fiscaal partnerschap. De man vergat echter de aangifte van de vrouw mede te ondertekenen.
 
Doordat de man zijn aangifte niet had ingediend, legde de inspecteur in februari 2005 bij hem een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2001 op. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de man niet had verzocht om fiscaal partnerschap. De inspecteur vorderde derhalve het bedrag van de algemene heffingskorting van € 1.576, met verhoging van heffingsrente, van de man terug. Daarnaast legde de inspecteur een verzuimboete bij de man op. De zaak kwam voor Rechtbank Arnhem, waarbij het geschil zich toespitste op de vraag of de man al dan niet had gekozen voor het fiscaal partnerschap.
 
De rechtbank besliste dat in dit geval geen sprake is van een situatie waarin kan worden aangenomen dat is teruggekomen op de gemaakte keuze voor fiscaal partnerschap. Noch uit de wet, noch uit de toelichting daarop volgt dat de bij de voorlopige teruggaaf gemaakte keuze zou moeten worden bevestigd via het indienen van een aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het te ver om - aan het ontbreken van de handtekening van de man op de aangifte van zijn partner - de conclusie te verbinden, dat voor het jaar 2001 de keuze voor het fiscaal partnerschap is herzien. De man en de vrouw waren elkaars fiscale partner. Hierdoor had de man recht op uitbetaling van de algemene heffingskorting. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur deze heffingskorting ten onrechte had teruggevorderd. Daarnaast verminderde de rechtbank de opgelegde verzuimboete, aangezien de inspecteur de daarvoor geldende regels niet juist had toegepast.
 
Bron: Rechtbank Arnhem, 23-5-2007, nr. AWB06/6016 (gepubliceerd 10-7-2007)