23 januari 2009
Als een ondernemer (de inlener) voor de bedrijfsvoering werknemers inleent van een derde (de uitlener), die de loonbelasting en sociale verzekeringspremies van deze werknemers niet afdraagt, kan onder omstandigheden de ondernemer hiervoor aansprakelijk worden gesteld (inlenersaansprakelijkheid). Aan de inlenersaansprakelijkheid worden evenwel grenzen gesteld. Onlangs heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten. Zo is de ontvanger gehouden aan een zorgvuldig gebruik van zijn beleidsvrijheid bij het verlenen van uitstel van betaling aan de uitlener en moet hij ook rekening houden met de belangen van de inlener. Dit houdt volgens de Hoge Raad in dat de ontvanger bij het verlenen van uitstel van betaling niet met minder zekerheid genoegen mag nemen dan hij bij een behoorlijke uitoefening van zijn taak zou hebben verlangd van de uitlener, indien de ontvanger geen verhaalsrecht op de inlener zou hebben gehad. Als de ontvanger zich niet aan deze regel houdt en de inlener te goeder trouw is afgegaan op verklaringen van de ontvanger inzake het betalingsgedrag van de uitlener, vervalt de inlenersaansprakelijkheid.
| Volledig bericht |
Stel, een ondernemer leent werknemers van een derde (de uitlener). De uitlener laat evenwel na de loonbelasting en socialeverzekeringspremies van deze werknemers te betalen. In dat geval kan de ontvanger de belastingschuld onder voorwaarden verhalen bij de ondernemer (inlenersaansprakelijkheid). Aan de inlenersaansprakelijkheid worden evenwel grenzen gesteld (zie ook ons bericht van 21 juni 2007). Onlangs heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten. De zaak was als volgt. Gedurende de jaren 1997 tot en met 2002 had een ondernemer werknemers ingeleend van een uitlener. Een boekenonderzoek bij de uitlener in 1999 wees uit dat deze te weinig loonbelasting had afgedragen. De uitlener ontving hierop een naheffingsaanslag, waarvoor uitstel van betaling werd verleend. De ontvanger heeft hiervoor geen zekerheid verlangd. In 2000 en 2001 heeft de ontvanger verklaringen over het betalingsgedrag van de uitlener afgegeven. In 2002 ontving de uitlener een tweede naheffingsaanslag, die hij ook niet kon betalen. Nadat was gebleken dat ook de bestuurders van de uitlener niet waren te traceren, werd uiteindelijk de ondernemer aansprakelijk gesteld voor de nageheven loonbelasting, en wel met betrekking tot de beloning die zag op het aantal uren dat de werknemers voor hem hadden gewerkt. De ondernemer tekende hiertegen bezwaar aan, maar de aansprakelijkstelling bleef gehandhaafd hoewel het bedrag werd verminderd. Daarna ging hij zonder resultaat in beroep bij Hof Den Bosch. Als laatste redmiddel stelde de ondernemer beroep in cassatie in. Voor de Hoge Raad stelde de ondernemer dat de ontvanger onzorgvuldig had gehandeld door in 2000 en 2001 verklaringen betalingsgedrag van de uitlener af te geven. De ontvanger wist immers dat de uitlener zijn fiscale verplichtingen niet zou nakomen. Vanwege de verklaringen betalingsgedrag had de ondernemer geen passende maatregelen getroffen. De Hoge Raad stelde voorop dat een verklaring van het betalingsgedrag een beperkte betekenis heeft en dat de inlener dit kan weten. Deze beperkte betekenis komt immers ook tot uitdrukking in de verklaringen zelf. Dit betekende volgens de Hoge Raad dat de ontvanger zo’n verklaring had mogen verstrekken, hoewel hij wist dat de uitlener zijn fiscale verplichtingen waarschijnlijk niet zou nakomen. Ook bij uitstel van betaling mag de ontvanger een verklaring betalingsgedrag afgeven, maar hij moet daarbij zorgvuldig gebruikmaken van zijn beleidsvrijheid. De ontvanger mag bij het verlenen van uitstel van betaling niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij bij een behoorlijke uitoefening van zijn taak zou hebben verlangd van de uitlener, indien hij geen verhaalsrecht op de ondernemer (inlener) heeft. Bovendien moet de ondernemer te goeder trouw zijn afgegaan op de verklaringen van de ontvanger inzake het betalingsgedrag van de uitlener. Het was voor de Hoge Raad niet duidelijk of het hof rekening had gehouden met deze regels. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep van de ondernemer gegrond en verwees de zaak voor verdere behandeling naar een ander hof. Bron: Hoge Raad, 19-12-2008, nr. 43282.
|