Voordeel uit onroerendezaaktransactie van makelaar in privé was onbelast

26 februari 2010

Samenvatting

Hof Arnhem heeft in een feitelijke procedure beslist dat een door een makelaar in privé behaald voordeel met een onroerendezaaktransactie onbelast was. De inspecteur stelde dat het door de makelaar in 2003 behaalde voordeel van € 67.461 een belastbaar resultaat uit een werkzaamheid vormde. Echter, om tot een zodanige inkomstenbron te kunnen concluderen moet sprake zijn van werkzaamheden die gezien aard en omvang rendementen opleveren die hoger zijn dan het redelijkerwijs te verwachten rendement bij normaal, actief vermogensbeheer. Ook kan van belastbare arbeidsinkomsten sprake zijn als bijzondere kennis er in belangrijke mate toe heeft bijgedragen dat men met de transactie voordeel heeft kunnen behalen. De inspecteur was er naar het oordeel van het hof niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake was van deze omstandigheden.

Volledig artikel

Al uw opbrengsten (zowel positieve als negatieve) worden in de belastingheffing betrokken als deze opkomen uit een zogenoemde bron van inkomen. Voor het aanwezig achten van een bron van inkomen bestaan drie criteria: u neemt deel aan het economische verkeer, u beoogt hiermee een voordeel te behalen en u kunt redelijkerwijs dat voordeel verwachten. Als uw activiteiten een bron van inkomen vormen, zijn in beginsel de opbrengsten belast en de kosten aftrekbaar. Is geen sprake van een bron, dan valt een behaald voordeel buiten de belastingheffing. Of sprake is van een bron van inkomen hangt sterk van de feiten af. Illustratief hiervoor is een recente uitspraak van Hof Arnhem. De zaak was beknopt weergegeven als volgt.
 
Een makelaar in onroerend goed oefende in 1996 zijn praktijk uit in een besloten vennootschap. Daarnaast hield hij samen met twee compagnons –onder wie een architect- aandelen in een bv. De bv had in 1996 een perceel grond op een industrieterrein gekocht. Aan de grond waren na de aankoop geen werkzaamheden verricht. In 2001 besloten de drie compagnons de samenwerking te beëindigen. In de loop van 2002 kochten de makelaar en de architect ieder voor de onverdeelde helft de grond van de bv voor een zakelijke prijs. Zij hadden daarbij het voornemen om op het perceel een kantoorpand te bouwen en te verhuren. De architect maakte voor een potentiële gegadigde een bouwtekening, maar de gegadigde haakte af. Eind 2002 diende een andere gegadigde zich aan. Deze wilde de grond kopen. De makelaar wilde dat in eerste aanleg niet, maar ging uiteindelijk overstag. De juridische levering van het pand vond in januari 2003 plaats. De makelaar haalde op deze aan- en verkooptransactie een voordeel van € 67.461. De architect verantwoordde zijn voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden (box 1).
 
De inspecteur was van mening dat de makelaar hetzelfde had behoren te doen en legde hem daarom een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2003 op met een vergrijpboete van 25%. De makelaar ging in beroep bij Rechtbank Arnhem, maar dat was vergeefs. Vervolgens ging hij in hoger beroep bij Hof Arnhem.
 
Het hof stelde voorop dat voor een te belasten resultaat uit overige werkzaamheden sprake moet zijn van werkzaamheden die gezien aard en omvang rendementen opleveren die hoger zijn dan het redelijkerwijs te verwachten rendement bij normaal, actief vermogensbeheer. Ook kan van belastbare arbeidsinkomsten sprake zijn als bijzondere kennis er in belangrijke mate toe heeft bijgedragen dat men met de transactie voordeel heeft kunnen behalen. Het hof wees daarbij op een arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2009 ).
 
Het hof vroeg vervolgens aan de inspecteur welke werkzaamheden van de makelaar meer hadden ingehouden dan normaal actief vermogensbeheer. De inspecteur kon slechts wijzen op de door de architect gemaakte tekening. Dat vond het hof te mager. Volgens het hof was het niet aannemelijk dat het ontwerpen van een tekening enig verband hield met de gebleken waardeontwikkeling. Daarna vroeg het hof welke bijzondere kennis van de makelaar en de architect in belangrijke mate ertoe had bijgedragen dat zij hun voordeel hadden kunnen behalen. De inspecteur voerde daarvoor aan dat zij een informatievoorsprong hadden op de markt van onroerende zaken. Ook dit overtuigde het hof niet. Het alleen wijzen op de bijzondere positie van een makelaar of architect was naar het oordeel van het hof onvoldoende. Het hof concludeerde daarop dat geen sprake was van belastbare arbeidsinkomsten.
 
De inspecteur had wel een punt met haar vaststelling dat de makelaar op 1 januari 2003 ten onrechte het perceel grond niet tot zijn bezittingen in box 3 had gerekend. Daaruit vloeide een correctie op het box 3-inkomen voort. De makelaar had op dit punt lichtvaardig gehandeld waardoor sprake was van grove schuld. Het hof vond daarom de door de inspecteur opgelegde vergrijpboete van 25% van de verschuldigde belasting over het niet aangegeven box 3-inkomen passend en geboden.
 
Bron: Hof Arnhem, 9-2-2010, nr. 09/00174 (gepubliceerd 22-2-2010).