Tussentijdse opeisbaarheidsgronden mogelijk van belang voor waardering lening

13 augustus 2009

Samenvatting

Tussentijdse opeisbaarheidsgronden kunnen van belang zijn voor de waardering van een lening op de balans en voor de omvang van de rentelasten. Dit blijkt uit twee uitspraken van Hof Amsterdam die samenhangen met de procedure waarin de Hoge Raad op 14 april 2006 arrest had gewezen. Alle procedures hebben betrekking op een in 2000 gesloten leningsovereenkomst tussen een bv (als debiteur) en een derde met enige markante leningsvoorwaarden. Volgens de leningvoorwaarden was de hoofdsom en de aangegroeide rente slechts in zeer bijzondere omstandigheden tussentijds (deels) opeisbaar. Dat was uitsluitend het geval als de AEX-index (of de opvolger daarvan) in een kalenderjaar met meer dan 90% zou zijn gestegen en ingeval een prijs van de Postcodeloterij op bepaalde postcodes zou zijn gevallen. Voor de berekening van de jaarlijks fiscaal in aanmerking te nemen rentelast was het van belang op welke waarde de schuld (inclusief bijgeschreven rente) moest worden gewaardeerd. De bv had hierover aangegeven statistische berekeningen te zullen overleggen over de winkansen bij de Postcodeloterij, maar verstrekte de onderbouwing niet. Het hof was van oordeel dat de bv niet aan haar stelplicht had voldaan. De bv had niet aannemelijk gemaakt dat de kans op een tussentijdse aflossing op in de leningsovereenkomst genoemde gronden meer dan verwaarloosbaar klein zou zijn. Deze kans mocht worden genegeerd. De inspecteur had terecht 4,016% van de schuld (hoofdsom inclusief bijgeschreven rente) als rentelast in aanmerking genomen.

Volledig artikel

Tussentijdse opeisbaarheidsgronden kunnen van belang zijn voor de waardering van een lening op de balans en voor de omvang van de rentelasten. Dit blijkt uit twee uitspraken van
Hof Amsterdam die samenhangen met de procedure waarin de Hoge Raad op 14 april 2006 arrest had gewezen. De procedure voor de Hoge Raad betrof het jaar 2000. De procedures voor het hof betroffen het jaar 2001 en 2002.
 
Alle procedures hebben betrekking op een in 2000 gesloten leningsovereenkomst tussen een bv (als debiteur) en een derde met enige markante leningsvoorwaarden. De hoofdsom van de lening bedroeg € 4.538 (f 10.000). Volgens de leningvoorwaarden bedroeg rente € 36.302 (f 80.000) en werd deze jaarlijks steeds € 454 (f 1.000) hoger. De rente werd niet uitbetaald maar op de hoofdsom bijgeschreven. Over de volle looptijd gemeten was sprake van een cumulatieve rente van 4,016%. Pas op de einddatum van de lening (210 jaar later) werd de hoofdsom plus bijgeschreven rente opeisbaar. Volgens de leningvoorwaarden was de hoofdsom en de aangegroeide rente uitsluitend tussentijds (deels) opeisbaar als de AEX-index (of de opvolger daarvan) in een kalenderjaar met meer dan 90% zou zijn gestegen of wanneer een prijs van de Postcodeloterij op bepaalde postcodes zou zijn gevallen. Gangbare gronden voor tussentijdse opeisbaarheid zoals surséance van betaling, faillissement en conservatoire of executoriale beslaglegging bij de debiteur waren in de geldleningsovereenkomst nadrukkelijk uitgesloten. De bv had ter zake van deze lening € 36.756 en € 37.210 aan rentekosten ten laste van haar winst over 2001 en 2002 gebracht. De inspecteur accepteerde echter alleen een rentelast van 4,016% van de schuld. Rechtbank Haarlem stelde de inspecteur in het gelijk. De bv ging daarop in hoger beroep bij Hof Amsterdam.
 
Voor het hof kwamen diverse geschilpunten aan de orde zoals onder meer de fiscale status van de geldlening. De inspecteur stelde zich (weer) zich op het standpunt dat sprake was van een schenking of een schijnlening respectievelijk een deelnemerschapslening. Het hof wees deze standpunten af en verwees daarbij onder meer naar het eerdere arrest van de Hoge Raad.
 
Een belangwekkend punt in deze procedure betrof de waardering van de schuld voor de jaarlijks (op grond van goed koopmansgebruik te bepalen) in aanmerking te nemen rentelast. De Hoge Raad had aangegeven, dat bij de waardering van de schuld met een eventuele tussentijdse aflossing geen rekening behoefte te worden gehouden. De bv kon zich niet in dat oordeel vinden en had voor Rechtbank Haarlem de stelling ingenomen dat de kans op een prijs uit de Nationale Postcode Loterij niet verwaarloosbaar klein zou zijn, omdat in zodanig geval niemand met deze loterij zou willen meedoen. De rechtbank toonde zich ontvankelijk voor dit argument en droeg de bv op om deze kans dan te kwantificeren. De bv gaf aan daarvoor een statisticus te willen raadplegen maar verstrekte hierover geen gegevens. De rechtbank stelde de inspecteur daarop in het gelijk.
 
In hoger beroep voor Hof Amsterdam herhaalde de situatie zich. De bv overlegde de gevraagde statistische gegevens niet. Het hof kwam tot het oordeel dat de bv niet aan haar stelplicht had voldaan. De bv had niet aannemelijk gemaakt dat de kans op een tussentijdse aflossing op in de leningsovereenkomst genoemde gronden meer dan verwaarloosbaar klein zou zijn. Deze kans mocht worden genegeerd. De inspecteur had terecht 4,016% van de schuld (hoofdsom inclusief bijgeschreven rente) als rentelast in aanmerking genomen.
 
Bron: Hof Amsterdam, 7-5-2009, nr. 07/00555 en 07/00556 (gepubliceerd 12-8-2009).