Samenvatting
De inspecteur moet een definitieve aanslag vaststellen en verzenden binnen drie jaar nadat de belastingschuld is ontstaan. De aanslagtermijn van drie jaar wordt verlengd met de duur van het gevraagde uitstel tot het doen van aangifte als de inspecteur dit uitstel heeft verleend en dit ook duidelijk kenbaar heeft gemaakt. Verleent de inspecteur ongevraagd langer uitstel, dan is de duur van dit uitstel in beginsel niet maatgevend voor de aanslagtermijn. Een buiten de aanslagtermijn opgelegde aanslag inkomstenbelasting kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de reeds ingehouden loonheffing en dividendbelasting. Alleen voor zover deze voorheffingen de materiële inkomstenbelastingschuld zouden overtreffen, bestaat aanleiding om de voorheffingen geheel of gedeeltelijk terug te betalen. Dit blijkt uit een uitspraak in hoger beroep van Hof Amsterdam.
Volledig artikelDe inspecteur moet een definitieve aanslag vaststellen en verzenden binnen drie jaar nadat de belastingschuld is ontstaan. De aanslagtermijn van drie jaar wordt verlengd met de duur van het gevraagde uitstel tot het doen van aangifte als de inspecteur dit uitstel heeft verleend en dit ook duidelijk kenbaar heeft gemaakt. Verleent de inspecteur ongevraagd langer uitstel, dan is de duur van dit uitstel in beginsel niet maatgevend voor de aanslagtermijn. De inspecteur zou namelijk op deze wijze naar eigen goeddunken de aanslagtermijn kunnen oprekken, wat in strijd is met de rechtszekerheid. Een eventueel langere duur van het verleende uitstel is slechts dan weer van belang als u met de langere termijn uitdrukkelijk hebt ingestemd.
Een buiten de aanslagtermijn opgelegde aanslag inkomstenbelasting kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de reeds ingehouden loonbelasting en dividendbelasting. Dit blijkt onder meer uit een uitspraak van Hof Amsterdam. De zaak was als volgt.
Een man genoot in 2001 een salaris, waarop € 577.177 aan loonheffing was ingehouden. Op 28 februari 2002 had de inspecteur hem het aangiftebiljet inkomstenbelasting / premie volksverzekering over 2001 toegezonden. De gemachtigde van de man verzocht de inspecteur bij brief van 14 juli en 1 augustus 2003 om enig uitstel van aangifte inkomstenbelasting over 2001. Hij voegde daaraan toe dat, als dat niet mogelijk was, om de aanslag nog tot 1 september 2003 aan te houden omdat de aangifte over 2001 nog moest worden ingediend. De inspecteur legde met dagtekening van 27 april 2005 de aanslag over 2001 op. De aanslag was opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ruim € 1,1 mln onder verrekening van de ingehouden loonheffing. De man maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde daarna beroep in bij Rechtbank Haarlem.
De rechtbank stelde vast dat de aanslag over 2001 volgens de wettelijke regels uiterlijk op 31 december 2004 moest zijn opgelegd, tenzij sprake was van een verleend uitstel voor het doen van aangifte. Het was niet in geschil dat om uitstel was verzocht. De gemachtigde stelde zich op het standpunt dat uitstel was verleend op een voor hem kenbare wijze. De rechtbank ging daarin mee. De inspecteur had met het alleen overleggen van ‘schermprints’ onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man op verzoek uitstel was verleend en dat het uitstel ook aan hem kenbaar was gemaakt. De zinsnede uit de brief van de gemachtigde “nog enig uitstel verlenen” was voor de rechtbank onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat de gemachtigde bekend was met het eerder verleende uitstel. De rechtbank concludeerde dat de aanslag inkomstenbelasting 2001 met dagtekening 27 april 2005 buiten de aanslagtermijn was opgelegd.
De man stelde vervolgens dat de in de aanslag verrekende voorheffing loonheffing moest worden teruggegeven nu de aanslag werd vernietigd. Dat wees de rechtbank af onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad uit 1991. De loonbelasting is een zelfstandige heffing die mede strekt tot vooruitbetaling op een materiële belastingschuld, die door de vooruitbetaling (gedeeltelijk) wordt voldaan. Verder merkte de rechtbank op dat overschrijding van de aanslagtermijn niet tot gevolg heeft dat de belastingschuld tenietgaat. Nu in de onderhavige procedure geen sprake was van voorheffingen die het bedrag van de materiële belastingschuld overtroffen, zag de rechtbank geen aanleiding voor enige teruggave van voorheffingen.
De man ging vervolgens in hoger beroep bij Hof Amsterdam. Daar stelde hij dat hij begreep dat een verzoek om teruggaaf van ingehouden loonheffing en dividendbelasting in zijn procedure juridisch niet aan de orde kon komen. Echter, vanwege de verbondenheid tussen de aanslag en het verzoek om teruggaaf was hij van mening dat de teruggaaf op grond van de redelijkheid moest worden verleend.
Het hof gaf aan dat de rechtbank een juiste beslissing had genomen en was van oordeel dat de redelijkheid niet voorzag in een teruggaaf zoals was bepleit
.
Bron: Hof Amsterdam, 15-10-2009, nr. 08/00007 (gepubliceerd 21-10-2009).