Samenvatting
Het Europese Hof van Justitie (HvJ EG) heeft op 18 juni 2009 arrest gewezen in de zaak Stadeco over de mogelijkheid om btw die onterecht op de factuur is vermeld (zogenaamde ‘art. 37-btw’) terug te krijgen. Het HvJ EG oordeelde dat btw die ‘onterecht’ op een factuur wordt vermeld, daadwerkelijk is verschuldigd. Dit is niet anders indien de onderliggende prestatie eigenlijk in een andere lidstaat van de EU plaatsvindt. In dergelijke gevallen is echter dat andere land bevoegd om deze ‘art. 37-btw’ te heffen. Het risico van verlies van belastinginkomsten ligt immers ook in die lidstaat, omdat de afnemers van de prestatie in dit land zouden kunnen vragen om aftrek van deze btw. Om dat risico op verlies van belastinginkomsten uit te sluiten, oordeelde het HvJ EG dat lidstaten mogen eisen dat een herstelfactuur wordt uitgereikt aan de afnemer. Verder oordeelde het HvJ EG dat de additionele eis van de Nederlandse fiscus, te weten terugbetaling van de ten onrechte gefactureerde btw aan de afnemer, niet mag worden gesteld als geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking door de uitreiker van de factuur. Om te kunnen bepalen of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, kunnen volgens het HvJ EG de (contractueel) overeengekomen vergoedingen van belang zijn. In het volledige bericht kunt u lezen welke mogelijkheden dit arrest u biedt.
Volledig artikelHet Europese Hof van Justitie (HvJ EG) heeft op 18 juni 2009 arrest gewezen in de zaak Stadeco over de mogelijkheid om btw die onterecht op de factuur is vermeld (zogenaamde ‘art. 37-btw’) terug te krijgen. Het lijkt erop dat de Nederlandse fiscus hiervoor in sommige gevallen te strenge eisen stelt.
Als een ondernemer op grond van de normale btw-regels geen btw op zijn factuur in rekening moet brengen maar dit – vaak abusievelijk – toch doet, moet hij deze btw toch aan de fiscus betalen. Er bestaat een aantal specifieke regels die voorschrijven hoe de ondernemer deze btw van de fiscus kan terugkrijgen. Deze regels zijn deels gebaseerd op Europese jurisprudentie die ziet op het uitsluiten van een mogelijk verlies aan belastinginkomsten door te voorkomen dat de btw wordt teruggegeven aan de leverancier en tegelijkertijd door de afnemer van de prestatie wordt afgetrokken.
De casus
Stadeco BV is actief op gebied van verhuur, opbouw en afbraak van stands op beurzen en tentoonstellingen. Stadeco BV heeft in opdracht van de EVD, een onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, in het buitenland stands gebouwd en afgebroken. Stadeco BV heeft op de facturen hiervoor aan de EVD Nederlandse btw berekend.
Toen dit later niet correct bleek te zijn, vroeg Stadeco BV die btw terug van de fiscus. De fiscus honoreerde dit verzoek onder de voorwaarde dat de aan de EVD uitgereikte facturen zouden worden hersteld, waarop Stadeco BV aan de fiscus een kopie van een daartoe bestemde creditnota overlegde. Uit een later boekenonderzoek bleek dat Stadeco BV deze herstelfactuur echter niet aan de EVD had uitgereikt. Dat was voor de fiscus reden om de teruggegeven btw na te heffen.
De Hoge Raad was niet zeker van het antwoord op een aantal vragen en legde daarom de volgende vragen aan het HvJ EG voor:
Oordeel Hof van Justitie EG
Het HvJ EG oordeelde dat btw die ‘onterecht’ op een factuur wordt vermeld, daadwerkelijk is verschuldigd. Dit is niet anders indien de onderliggende prestatie eigenlijk in een andere lidstaat plaatsvindt. In dergelijke gevallen is echter dat andere land bevoegd om deze ‘art. 37-btw’ te heffen. Het risico van verlies van belastinginkomsten ligt immers ook in die lidstaat, omdat de afnemers van de prestatie in dit land om aftrek van deze btw zouden kunnen vragen. Een voorbeeld. Als u een factuur uitreikt waarop u uw afnemer abusievelijk Franse btw in rekening brengt, dan is niet de Nederlandse maar de Franse belastingdienst bevoegd deze btw te heffen. De Franse belastingdienst loopt immers het risico dat uw afnemer deze Franse btw in aftrek brengt én dat u deze btw terugvraagt.
Om dat risico op verlies van belastinginkomsten uit te sluiten oordeelde het HvJ EG – in antwoord op de tweede vraag – dat lidstaten mogen eisen dat een herstelfactuur wordt uitgereikt aan de afnemer.
Verder oordeelde het HvJ EG dat de additionele eis van de Nederlandse fiscus, te weten terugbetaling van de ten onrechte gefactureerde btw aan de afnemer, niet mag worden gesteld als geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking door de uitreiker van de factuur (in dit geval Stadeco BV). Om te kunnen bepalen of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, kunnen de (contractueel) overeengekomen vergoedingen van belang zijn.
Belang voor de praktijk
Bron: Hof van Justitie EG, 18-6-2009, nr. C-566/07 (Stadeco).