Samenvatting
Het recht van overgang komt onder meer aan de orde bij verkrijging door schenking of vererving van in Nederland gelegen onroerende zaken (situsgoederen) van iemand die ten tijde van die schenking of overlijden niet in Nederland woonachtig was. Het Europese Hof van Justitie had in zijn arrest van 11 september 2008 aangegeven, dat de Nederlandse regeling voor de heffing van het recht van overgang deels in strijd kwam met het beginsel van vrijheid van kapitaalverkeer uit het EG-verdrag. De erfgenamen werden namelijk zwaarder belast ten opzichte van de situatie dat de overledene tijde van zijn overlijden in Nederland zou hebben gewoond. De Hoge Raad heeft onlangs met inachtneming van de richtlijnen van het EG-Hof arrest gewezen. Daarbij heeft de Hoge Raad aangegeven tot welk bedrag het recht van overgang mocht worden berekend.
Volledig artikelHet recht van overgang komt aan de orde bij verkrijging door schenking of vererving van bepaalde binnenlandse vermogensbestanddelen (zogenoemde situsgoederen) zoals in Nederland gelegen onroerende zaken van iemand die ten tijde van die schenking of overlijden niet in Nederland woonde en/of al langer dan 10 jaar niet meer in Nederland woonachtig is geweest. Het tarief voor het recht van overgang is gelijk aan het tarief van het successierecht en het schenkingsrecht en is dus een progressief tarief. Dit houdt in dat naargelang de omvang van de nalatenschap of schenking toeneemt en daardoor in meerdere tariefschijven valt, relatief meer belasting is verschuldigd. Het recht van overgang kent echter geen vrijstellingen.
De Hoge Raad had in zijn arrest van 12 januari 2007 aan het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld of de heffingsgrondslag voor het recht van overgang niet op enigerlei wijze is strijd is met het EG-recht, bijvoorbeeld vanwege een schending van de vrijheid van kapitaalverkeer. Zo rekent Nederland de overbedelingsschuld (uit de ouderlijke boedelverdeling) van de achterblijvende partner aan de kinderen niet tot de heffingsgrondslag van het recht van overgang aangezien deze schuld niet als ‘situsschuld’ wordt aangemerkt.. Zou de overleden ouder in Nederland woonachtig zijn geweest, dan behoort de overbedelingsschuld wel tot de heffingsgrondslag voor het successierecht. De achterblijvende partner waarvan de overleden partner in het buitenland woonde, betaalde aldus meer belasting.
Het Europese Hof van Justitie heeft daarop in zijn arrest van 11 september 2008 aangegeven, dat de Nederlandse heffingsgrondslag voor het recht van overgang in bovengenoemde situatie inderdaad in strijd komt met het beginsel van vrijheid van kapitaalverkeer uit het EG-verdrag. Het niet in aanmerking nemen van de overbedelingsschuld voor het recht van overgang gecombineerd met de progressieve tariefstructuur leidde tot een zwaardere belastingdruk ten opzichte van de situatie dat de overledene in Nederland ten tijde van zijn overlijden zou hebben gewoond (en successierecht zou zijn geheven rekening houdend met de overbedelingsschuld bij de achterblijvende partner en belaste erfrechtelijke verkrijgingen bij de overige erfgenamen).
De Hoge Raad heeft onlangs met inachtneming van de richtlijnen van het EG-Hof arrest gewezen. Daarbij heeft de Hoge Raad aangegeven tot welk bedrag het recht van overgang mag worden berekend. Dat pakte als volgt uit. Tot de nalatenschap van een man behoorde de helft van een in Nederland gelegen woning. De waarde van de helft bedroeg € 215.545 (f 475.000). Zijn vrouw kreeg volgens de testamentaire ouderlijke boedelverdeling de hele nalatenschap toegedeeld. Zij had daarbij de verplichting wegens overbedeling aan hun vier kinderen de waarde van hun erfdelen in contanten uit te keren.
Als de man ten tijde van zijn overlijden in Nederland had gewoond, zou de verkrijging van de vrouw zijn berekend op € 43.109 (f 475.000 minus 4 x f 95.000 = f 95.000) en die van de vier kinderen telkens op € 43.109 (f 95.000). Voor de erfrechtelijke verkrijging van de in Nederland gelegen onroerende zaak in 1998 zou - zonder toepassing van vrijstellingen - zowel bij de echtgenote als bij de vier kinderen € 3.155 (f 6.953), dus in totaal € 15.775, aan successierecht zijn verschuldigd.
Nu de erflater niet in Nederland woonde, kwam de overbedelingsschuld van de vrouw aan de kinderen niet tot de heffingsgrondslag van het recht van overgang in mindering. Als gevolg van de progressie in het heffingstarief was over de verkrijging van de vrouw ad € 215.545 een recht van overgang van € 30.865 (f 68.018) geheven.
Het niet in aanmerking nemen van de overbedelingsschuld leidde voor de gezamenlijke erfgenamen als gevolg van de progressie in het heffingstarief tot een € 15.090 zwaardere belastingdruk in vergelijking met de situatie voor een wel in Nederland woonac
htige erflater waarbij de overbedelingsschuld wel in aanmer king zou mogen worden genomen. De Hoge Raad gaf aan dat de Nederlandse regeling voor het recht van overgang op dit punt in strijd kwam met het beginsel van vrijheid van kapitaalverkeer uit het EG-verdrag. De heffing van het recht van overgang moest worden beperkt tot een bedrag van € 15.775.
Opmerking
Staatssecretaris De Jager van Financiën heeft op 20 april 2009 een wetsvoorstel tot vereenvoudiging en herziening van de Successiewet bij de Tweede Kamer ingediend. Daarbij zal het recht van overgang komen te vervallen. De opbrengsten zijn te bescheiden (€ 6 mln in 2007) om nog afzonderlijk regelgeving te rechtvaardigen. Daarbij speelt ook de EU-bestendigheid van dit type regelgeving een rol. De beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2010 en heeft betrekking op belastbare feiten die hebben plaatsgevonden op of na deze datum. Dit leidt tot conclusie dat -onder aanname dat het wetsvoorstel met betrekking tot het recht van overgang niet wordt gewijzigd en de beoogde datum van inwerkingtreding wordt gehaald- het arrest van de Hoge Raad voor de nieuwe gevallen op of na 1 januari 2010 niet meer van toepassing zal zijn.
Bron: Hoge Raad, 29-5-2009, nr. 39819 bis.