Hoge Raad stelt grenzen aan Nederlands heffingsrecht over lijfrenteaanspraken bij emigratie

23 juni 2009

Samenvatting

Op 19 juni jongstleden heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin de Hoge Raad Nederland wegens schending van de goede verdragstrouw niet heeft toegestaan om te heffen over lijfrenteaanspraken. Deze procedure betrof een heffing in verband met de afkoop in 2002 door een Belgische ingezetene van in Nederland met premieaftrek opgebouwde lijfrenteaanspraken. De emigratie naar België had enige jaren daarvoor (in 1996) plaatsgevonden. Eveneens op 19 juni heeft de Hoge Raad nog drie andere arresten gewezen over een ‘exitheffing’ over pensioenaanspraken onder de verdragen met Korea, Filippijnen en Frankrijk. In het nieuwsbericht van 22 juni jongstleden zijn we daarop ingegaan.

Volledig artikel

Op 19 juni jongstleden heeft de Hoge Raad onder meer een arrest gewezen waarin de Hoge Raad Nederland wegens schending van de goede verdragstrouw niet heeft toegestaan om te heffen over lijfrenteaanspraken. Eveneens op 19 juni heeft de Hoge Raad nog drie andere arresten gewezen over een ‘exitheffing’ over pensioenaanspraken onder de verdragen met Korea, Filippijnen en Frankrijk. In het nieuwsbericht van 22 juni 2009 zijn we daarop ingegaan.
 
De onderhavige procedure betrof een heffing in verband met de afkoop in 2002 door een Belgische ingezetene (vrouw) van in Nederland met premieaftrek opgebouwde lijfrenteaanspraken. De emigratie naar België had enige jaren daarvoor (in 1996) plaatsgevonden. Op dat moment kende de Nederlandse wet nog geen ‘exitheffing’ bij emigratie. De Nederlandse fiscus legde de vrouw voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op waarin de waarde was inbegrepen van de lijfrenteaanspraken ten tijde van de afkoop verminderd met het rendement dat na de emigratie was behaald. De vrouw stelde dat de heffing in strijd was met het oude verdrag met België van 1970. Hof Den Bosch stelde de vrouw in het gelijk. De staatssecretaris van Financiën stelde daarop cassatie in bij de Hoge Raad.
 
De Hoge Raad stelde voorop dat volgens de wettelijke regeling bij afkoop van een lijfrente als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen wordt belast de waarde in het economische verkeer op het tijdstip dat direct voorafgaat aan de afkoop. Op grond van het restartikel van het verdrag komt de heffingsbevoegdheid over de lijfrentetermijnen en de afkoopsom toe aan de woonstaat (België). De Hoge Raad gaf aan dat de goede trouw bij de uitleg van deze verdragsbepaling meebrengt, dat zij niet kan worden uitgehold of ontgaan door het opnemen in de Nederlandse wetgeving van een regeling op grond waarvan (een gedeelte van) de waarde van de aanspraak op de lijfrente tot het inkomen wordt gerekend op het moment dat onmiddellijk aan de afkoop daarvan voorafgaat. De heffing over deze waarde wijkt immers niet wezenlijk af van heffing over (een gedeelte van) de afkoopsom zelf. Dat geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin slechts een gedeelte van die waarde in de heffing wordt betrokken doordat het rendement over de periode na emigratie van de belastingplichtige daarop in mindering wordt gebracht.
 
De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de Nederlandse wettelijke regeling in strijd is met het restartikel van het verdrag met België van 1970. Uitdrukkelijk overweegt de Hoge Raad nog dat deze wettelijke regeling wezenlijk verschilt van de wettelijke regeling zoals die tot 2001 bestond, op grond waarvan bij afkoop alsnog belasting werd geheven over de afgetrokken premies. De strijdigheid met het verdrag wordt bepaald door de werkelijke aard van het onderhavige inkomensbestanddeel, zoals blijkt uit de wettelijke regeling. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat het verdrag in de weg staat aan iedere belastingheffing over dit inkomensbestanddeel door Nederland.
 
Hierdoor ving de inspecteur ook bot met zijn nadere standpunt dat de heffing beperkt moest blijven tot het bedrag van de afgetrokken premies.. Dit standpunt was namelijk niet op een wettelijke grondslag gebaseerd en kon evenmin het werkelijke karakter van de heffing ongedaan maken. De Hoge Raad bevestigde vervolgens de uitspraak van Hof Den Bosch.
 
Op dezelfde dag als het hier besproken arrest is gepubliceerd, heeft staatssecretaris De Jager van Financiën per brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat hij nog voor het zomerreces dat start op 3 juli a.s. een wetsvoorstel zal indienen. Het wetsvoorstel moet voorkomen dat afkoop of andere verboden handelingen met in Nederland gefaciliteerd opgebouwde pensioen- en lijfrenteaanspraken kunnen plaatsvinden zonder dat Nederland het verleende belastinguitstel kan terugnemen. Het wetsvoorstel moet terugwerkende kracht krijgen tot 19 juni 2009.
 
Opmerking
Duidelijk is dat het wetsvoorstel vanaf 19 juni 2009 moet veiligstellen dat conserverende aanslagen kunnen worden opgelegd bij emigratie naar landen waarmee Nederland verdragen heeft gesloten die Nederland geen enkel heffingsrecht geven over al dan niet periodieke pensioen- en lijfrente-uitkeringen. Uit de vier arresten kan worden afgeleid dat geen sprake is van schending van goede verdragstrouw (treaty override) als Nederland de conserverende aanslag beperkt tot de destijds vrijgestelde pensioenaanspraken resp. tot de in aftrek gebrachte lijfrentepremies. De nieuwe wetgeving zou dus de heffingsrechten van Nederland bij emigratie moeten inperken. Minder duidelijk is of ook met nieuwe wetgeving zal worden geprobeerd bestaande situaties van reeds opgelegde en nog niet onherroepelijk vaststaande conserverende aanslagen onder dergelijke verdragen te treffen om zo te voorkomen dat op grote schaal tot afkoop binnen de tienjaarstermijn wordt overgegaan.
 
Bron: Hoge Raad, 19-6-2009, nr. 44050; Ministerie van Financiën, 19-6-2009, nr. DB/2009/329 M.