Samenvatting
Hof Amsterdam heeft beslist dat de eigenwoningregeling van toepassing bleef in een specifieke situatie. Het betrof een echtpaar met een eigen woning in Nederland, dat in juni 2002 voor drie jaar naar Curaçao verhuisde omdat de man vanwege zijn werk daar naartoe was uitgezonden. De woning in Nederland bewoonde het gezin sinds 1999. In deze woning bleven twee jongvolwassen zoons wonen. Na de periode van drie jaar keerde het echtpaar terug. De inspecteur meende dat de eigenwoningregeling na medio juni 2002 niet meer van toepassing zou zijn omdat de woning aan derden (de zoons en een vriendin van een van de zoons) ter beschikking zou zijn gesteld en daardoor de woning niet meer ter beschikking stond aan het echtpaar. Rechtbank Haarlem stelde de inspecteur in het ongelijk. Hof Amsterdam was het op basis van de feitelijke omstandigheden van het geval en de wetsgeschiedenis van de eigenwoningregeling met het oordeel van de rechtbank eens.
Volledig artikelIndien u (en uw partner en inwonende kinderen) uw eigen woning voor een wat langere periode niet zelf gebruiken, bestaat onder omstandigheden de mogelijkheid om voor deze woning de fiscale status van eigen woning te behouden. Dat is onder meer het geval als u uw woning tijdens uw afwezigheid niet ter beschikking stelt aan een derde. Hof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of in een bepaalde situatie sprake was van een zodanige terbeschikkingstelling. De zaak was als volgt.
Een man en een vrouw woonden vanaf juni 2002 vanwege het werk van de man voor een periode van drie jaar in het buitenland. Hun twee opgroeiende zoons bleven in het ouderlijke huis achter. De vriendin van een van de zoons had bij de gemeentelijke basisadministratie het woonadres van haar vriend vanaf 17 december 2002 ook als haar woonadres opgegeven.
De inspecteur meende dat de woning aan een derde (de vriendin) ter beschikking was gesteld en corrigeerde het inkomen van de man over 2002. De inspecteur nam onder meer een hogere huurwaarde van de woning in aanmerking en een lagere hypotheekrenteaftrek. De zaak kwam voor Rechtbank Haarlem die de inspecteur in het ongelijk stelde.
De rechtbank stelde vast dat niet meer was komen vast te staan dan dat de vriendin af en toe was komen logeren en dat zij in de woning van haar ouders nog een eigen kamer had aangehouden. Verder was niet aannemelijk geworden dat de man als eigenaar van zijn woning de vriendin toestemming had gegeven voor het beschikken over (een deel van) de woning. In de gegeven omstandigheden had volgens de rechtbank het voortgezette gebruik door de beide zoons van de woning er niet toe geleid dat de woning aan een derde ter beschikking was gesteld. De inspecteur stelde hoger beroep in bij Hof Amsterdam. Daar stelde hij dat de woning aan de beide zoons respectievelijk aan de vriendin ter beschikking was gesteld. In zijn opvatting waren dit allemaal derden.
Het hof wees dit standpunt af. In een geval waarin thuiswonende kinderen na vertrek van de ouders uit hun woning in deze woning achterblijven en ook na hun terugkomst zijn blijven wonen, kan niet worden gezegd dat de woning aan derden ter beschikking is gesteld zoals bedoeld in de eigenwoningregeling.
Het hof wees ook op een passage uit de wetsgeschiedenis van de eigenwoningregeling over de fiscale gevolgen van het tijdelijk niet in de eigen woning wonen, maar elders. In zodanig geval kan de eigenwoningregeling toch van toepassing zijn indien men -kort gezegd- tezamen met de eigen partner gedurende die periode niet ook voor een andere woning de eigenwoningregeling claimt. Verder moet de woning de eigenaar ter beschikking staan, dat wil zeggen dat de woning gedurende die periode niet mag worden verhuurd of dat wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken. Op basis van de feitelijke omstandigheden van het geval was het hof het eens met het oordeel van de rechtbank.
Bron: Hof Amsterdam, 4-6-2009, nr. 06/00555 (gepubliceerd 10-6-2009).