Samenvatting
De staatssecretaris van Financiën heeft een nieuw beleidsbesluit uitgebracht over het werkgeversbegrip bij tijdelijke grensoverschrijdende tewerkstelling van werknemers. Het besluit is niet alleen van toepassing op tijdelijke uitzending binnen concernverband naar of vanuit Nederland, maar ook buiten concernverband. Het besluit is alleen van toepassing voor de belastingheffing (niet voor de premieheffing) en ziet alleen op verdragssituaties. Aan de hand van twee criteria vindt een toetsing plaats of in de werkstaat een werkgever is aan te wijzen waardoor de werkstaat heffingsbevoegd is over de inkomsten uit de tijdelijke grensoverschrijdende tewerkstelling van een werknemer. Tijdelijk houdt een tewerkstelling in van maximaal 183 werkdagen per belastingjaar/kalenderjaar in de werkstaat. De eerste toets betreft de vraag of voor de tijdelijke grensoverschrijdende werkzaamheden een gezagsrelatie tot de werknemer bestaat. De tweede toets betreft de vraag wie de arbeidsbeloning, de voordelen, nadelen en risico’s van die werkzaamheden draagt. In de praktijk is het niet altijd eenvoudig om vast te stellen wie de werkgever is voor de toepassing van de 183-dagenregeling. Het besluit bevat daarom voor enige veelvoorkomende situaties richtlijnen voor de beoordeling of sprake is van werkgeverschap. Het besluit is op 21 januari 2010 in werking getreden en werkt terug tot en met 12 januari 2010.
Volledig artikelIn de door Nederland gesloten belastingverdragen staat onder meer aangegeven welk land over welke inkomensbestanddelen mag heffen. In beginsel geldt voor loon uit een dienstbetrekking dat de werkstaat het heffingsrecht over dit loon heeft. In uitzonderingssituaties mag echter de woonstaat over dit loon heffen. Dit is doorgaans het geval als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
Nederland heeft tot 1 januari 2004 het werkgeversbegrip in verdragsrelaties formeel benaderd. Dit betekent dat Nederland in beginsel de partij waarmee de arbeidsovereenkomst is gesloten, als werkgever voor het belastingverdrag ziet. In een arrest uit 2003 heeft de Hoge Raad voor de beoordeling van het werkgeversbegrip in verdragsrelaties een materiële benadering gekozen. Voor het zijn van een 'verdragswerkgever' is in ieder geval vereist dat met de werknemer voor de werkzaamheden in de werkstaat een gezagsverhouding bestaat. Het is daarbij niet beslissend met wie de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft gesloten. De staatssecretaris van Financiën heeft naar aanleiding van dit arrest het Nederlandse beleid met ingang van 1 januari 2004 aangepast.
Op 1 december 2006 heeft de Hoge Raad zes arresten gewezen die voortborduren op het arrest uit 2003 met criteria voor het werkgeversbegrip in verdragsrelaties. Kort gezegd komen de arresten erop neer dat binnen de 183-dagenregeling een vennootschap (of persoon) kwalificeert als werkgever indien:
De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs een nieuw beleidsbesluit uitgebracht over het werkgeversbegrip bij tijdelijke grensoverschrijdende tewerkstelling van werknemers. Het besluit is niet alleen van toepassing op tijdelijke uitzending binnen concernverband naar of vanuit Nederland, maar ook buiten concernverband. Het besluit is alleen van toepassing voor de belastingheffing (niet premieheffing) en ziet alleen op verdragssituaties.
Het besluit bevat ook een praktische regeling voor detachering van buitenlandse werknemers binnen concernverband naar een Nederlands concernonderdeel. Deze houdt het volgende in. Buitenlandse werknemers die in een concernverhouding niet langer dan in totaal 60 werkdagen per 12-maandsperiode in Nederland zullen worden tewerkgesteld, staan (voor de uitleg van het begrip werkgever in de 183-dagenregeling in het belastingverdrag) niet tot het Nederlandse concernonderdeel of de Nederlandse concernonderdelen in gezagsverhouding. Nederland is dan niet heffingsbevoegd over het loon van deze werkzaamheden. Het besluit bevat enige aanvullende randvoorwaarden voor toepassing van deze 60-dagenregeling.
In de praktijk is het niet altijd eenvoudig om vast te stellen wie de werkgever is voor de toepassing van de 183-dagenregeling. Feiten en omstandigheden zijn namelijk beslissend. Het besluit bevat daarom voor enige veelvoorkomende situaties richtlijnen voor de beoordeling of sprake is van werkgeverschap. Verder wijst de staatssecretaris erop dat de kwalificatie als werkgever voor verdragsdoeleinden niet altijd samenvalt met de kwalificatie van inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. Een inhoudingsplichtige is de persoon tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat. Voor het aannemen van een dienstbetrekking bestaan in de loonbelasting specifieke criteria.
De staatssecretaris wijst ten slotte op een besluit van 21 oktober 2005 (hyperlink 3) met een tegemoetkoming om administratieve lastenverzwaring bij uitzending binnen internationaal concernverband tegen te gaan. De tegemoetkoming houdt in dat bij uitzending van een werknemer van een buitenlands onderdeel van een concern naar een Nederlands onderdeel van dat concern, het Nederlandse onderdeel mag worden beschouwd als inhoudingsplichtige. De tegemoetkoming is van belang voor de toepassing van de zogeheten 30%-regeling en zal worden opgenomen in de Wet op de loonbelasting.
Het besluit is op 21 januari 2010 in werking getreden en werkt terug tot en met 12 januari 2010.
Bron: Ministerie van Financiën, 12-1-2010, nr. DGB2010/267M (gepubliceerd 20-1-2010).