Samenvatting
Als u voorziet dat uw belastingaanslag waarschijnlijk ertoe zal leiden dat u een behoorlijk bedrag moet betalen, zult u wellicht eveneens een behoorlijk bedrag aan heffingsrente moeten betalen. De hoogte van dit rentebedrag hangt mede af van het tijdstip waarop de aanslag is opgelegd. De te betalen heffingsrente kunt u echter matigen door tijdig om een (nadere) voorlopige aanslag te verzoeken. Volgens beleid van de staatssecretaris zal de belastingdienst in beginsel binnen drie maanden na het verzoek een (nadere) voorlopige aanslag opleggen. Indien de belastingdienst dit niet binnen drie maanden doet, zal op verzoek geen heffingsrente worden berekend over de periode van aan de belastingdienst te wijten vertraging. Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure beslist dat de belastingdienst alleen heffingsrente mocht berekenen over een termijn van anderhalve maand. In de onderhavige procedure was sprake van een zwaarwegend belang bij een spoedige afwikkeling van een verzoek om een voorlopige aanslag. Daar kwam nog bij dat het verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag herhaalde malen was gedaan.
Volledig artikelAls u voorziet dat uw belastingaanslag waarschijnlijk ertoe zal leiden dat u een behoorlijk bedrag moet betalen, zult u wellicht eveneens een behoorlijk bedrag aan heffingsrente moeten betalen. De hoogte van dit rentebedrag hangt mede af van het tijdstip waarop de aanslag is opgelegd. De te betalen heffingsrente kunt u echter matigen door tijdig om een (nadere) voorlopige aanslag te verzoeken. Volgens een ministerieel besluit van 7 maart 2008 zal de belastingdienst in beginsel binnen drie maanden na het verzoek een (nadere) voorlopige aanslag opleggen. Indien de belastingdienst niet binnen drie maanden een (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, zal op verzoek geen heffingsrente worden berekend over de periode van aan de belastingdienst te wijten vertraging. Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag over welke periode de belastingdienst heffingsrente mocht berekenen. De zaak was als volgt.
Een onderneemster verkocht op 1 juni 2007 haar kantoorpand. Daarop realiseerde zij een omvangrijke boekwinst. Haar belastingadviseur zond op 12 juli 2007 een schattingsdiskette in met daarbij een verzoek om voor 2007 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op te leggen naar een te betalen bedrag van € 362.556. Om het bedrag aan heffingsrente te beperken hadden zowel de onderneemster als haar adviseur na het verzoek om een voorlopige aanslag diverse malen telefonisch contact opgenomen met de belastingdienst en daarbij aangedrongen op een spoedige vaststelling van de voorlopige aanslag. Met dagtekening van 27 december 2007 had de inspecteur een voorlopige aanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 362.556. Daarbij werd € 9.490 aan te betalen heffingsrente berekend over de periode van 1 juli 2007 tot en met 27 december 2007. Na bezwaar beperkte de inspecteur de periode waarover heffingsrente werd berekend van 1 juli 2007 tot en met 12 oktober 2007. Dit leidde tot een vermindering van heffingsrente tot € 5.411. De inspecteur baseerde zich daarbij op het besluit van 24 oktober 2001, de voorganger van het besluit uit 2008. De onderneemster was van mening dat nog steeds te veel heffingsrente was berekend en stelde daarna beroep in bij Rechtbank Arnhem. De rechtbank stelde de inspecteur in het gelijk. De onderneemster ging in hoger beroep bij Hof Den Bosch.
Het hof stelde voorop dat op basis van de (toenmalige) wettelijke bepalingen terecht heffingsrente in rekening was gebracht over de periode van 1 juli 2007 tot en met 27 december 2007. De inspecteur had vervolgens op basis van het besluit uit 2001 de periode waarover heffingsrente werd berekend, beperkt tot 12 oktober 2007, dat wil zeggen tot drie maanden na het verzoek om een voorlopige aanslag.
Het hof merkte op dat het besluit uit 2001 inmiddels was vervangen door het besluit uit 2008. Voor de onderhavige procedure hield de vervanging geen inhoudelijke wijziging in van de van belang zijnde regels. Wel las het hof in het besluit van 2008 een nieuwe beleidsregel over een (verdere) beperking van heffingsrente als de inspecteur zo weinig voortvarend te werk is gegaan, dat hij in strijd handelt met algemene beginselen van behoorlijk bestuur door wel heffingsrente in rekening te brengen. Volgens het hof vindt deze beleidsregel ook toepassing binnen de termijn van drie maanden na binnenkomst van een verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag. Het hof merkte op dat het besluit uit 2008 weliswaar pas in werking was getreden nadat de voorlopige aanslag was vastgesteld, maar zag hierin toch geen belemmering om dat besluit toe te passen. Het besluit uit 2008 bevatte naar het oordeel van het hof geen inhoudelijk nieuw beleid op dit punt, maar eerder een verduidelijking van beleid dat al onder het besluit van 2001 gold. Ook had de onderneemster zich terecht beroepen op een arrest van de Hoge Raad om het besluit van 2008 ook op de voorlopige aanslag over 2007 te kunnen toepassen.
Het hof was
van oordeel dat het computersysteem van de belastingdienst om op geautomatiseerde wijze aangiftes en dergelijke te verwerken en (voorlopige) aanslagen op te leggen onder normale omstandigheden de toets van de zorgvuldigheid wellicht kan doorstaan. De inspecteur had op de zitting aangegeven dat de verwerking van schattingsformulieren en schattingsdisks enige tijd had stilgelegen en dat de belastingdienst voorrang had gegeven aan andere processen. Het hof concludeerde hieruit dat deze keuze van de belastingdienst uitsluit dat degenen die een bijzonder belang hebben bij een snelle afwikkeling, toch versneld een (voorlopige) aanslag krijgen. Dat was naar het oordeel van het hof onzorgvuldig. Daarmee wordt namelijk de in de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven belangenafweging bij voorbaat uitgesloten. Het hof gaf aan dat de gevolgen van die keuze voor rekening van de inspecteur moeten komen.
Vervolgens rees de vraag tot welke periode het berekenen van heffingsrente moest worden beperkt. De belastingadviseur had onder meer aangegeven dat de periode zou moeten lopen van 1 juli 2007 tot 15 augustus 2007. Naar zijn mening kwam deze periode overeen met een uiterste, redelijk te achten verwerkingstijd. De inspecteur had hiertegen geen inhoudelijk verweer gevoerd. Het hof zag wel wat in het standpunt van de adviseur en beperkte de berekeningsperiode van 1 juli 2007 tot 15 augustus 2007. Het hof verklaarde het hoger beroep daarop gegrond.
Opmerkingen
Met ingang van 1 januari 2010 wordt voor de wijze waarop heffingsrente bij aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting wordt berekend, teruggekeerd naar het systeem zoals dat gold vóór 2005. Aangrijpingspunt is niet meer de dag na het midden van een belastingjaar/boekjaar maar de dag na afloop van het belastingjaar/boekjaar. De gewijzigde berekening geldt voor tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010. Dit houdt in dat als u ziet dat u over 2010 fors moet bijbetalen, dan verdient het aanbeveling om in dit jaar -vanwege de driemaandstermijn uit het besluit van 2008 bij voorkeur vóór 1 oktober 2010- de inspecteur te verzoeken om een (nadere) voorlopige aanslag op te leggen.
Bron: Hof Den Bosch, 13-11-2009, nr. 09/00105 (gepubliceerd 6-1-2010).