Samenvatting
Een directeur-grootaandeelhouder (dga) verhuurde twee panden aan een derde. In 1995 droeg hij het recht op de huurtermijnen voor een periode van de eerstvolgende tien jaar om niet over aan zijn eigen vennootschap, een nv. Vóór 2001 vormde het voordeel dat voortvloeide uit zo’n cessie (overdracht) winst voor de nv, en mocht de nv niet afschrijven op de waarde van het overgedragen en geactiveerde recht. Dit is anders geworden, zo blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad. De sinds 1 januari 2001 geldende Wet inkomstenbelasting wijkt wezenlijk af van zijn voorganger. Volgens de huidige wet behoren de panden voor de dga in een geval zo hiervoor omschreven tot zijn box 3-vermogen onder aftrek van -kort gezegd- de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen. De Hoge Raad ziet in deze wijziging van de wetssystematiek aanleiding voor een andere oplossing bij de belastingheffing bij de nv. De nv kon vanaf 2001 wel afschrijven op de door de dga geschonken toekomstige huurtermijnen en hoefde de voordelen uit de cessie niet tot haar winst te rekenen.
Volledig artikelBinnen de winstsfeer worden slechts de voordelen belast, die worden verkregen uit de onderneming. Een voordeel dat voortkomt uit een onzakelijke transactie met een gelieerde partij, bijvoorbeeld een aandeelhouder van de vennootschap, vormt dus in beginsel geen ‘voordeel uit onderneming’. Toch kan dit voordeel dan bij de vennootschap worden belast, zo oordeelde de Hoge Raad in 2003 in een zaak waarbij de Wet inkomstenbelasting 1964 nog van toepassing was. In die zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga), die een pand verhuurde aan zijn eigen BV en toekomstige huurtermijnen om niet had overgedragen aan een dochtervennootschap van die BV. De Hoge Raad oordeelde dat de huuropbrengsten tot de winst van de dochtervennootschap moeten worden gerekend op grond van een redelijke wetstoepassing, waarbij recht wordt gedaan aan de samenhang tussen de inkomstenbelasting (IB) en de vennootschapsbelasting (Vpb). Deze redelijke wetstoepassing leidt ertoe dat een voordeel voor de vennootschap, dat bestaat uit toekomstige inkomsten die zonder de overdracht tot heffing bij de aandeelhouder zouden hebben geleid, bij de bepaling van de winst van die vennootschap in aanmerking moeten worden genomen, ook al is de oorzaak van dit voordeel gelegen in de betrekking tussen de vennootschap en de aandeelhouder, aldus de Hoge Raad – en dus niet in de uitoefening van de onderneming.
In een soortgelijke zaak deed Hof Amsterdam onlangs uitspraak, maar in die zaak betrof het de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Een dga was eigenaar van twee panden die aan een derde waren verhuurd. In 1995 droeg hij de hieruit voortvloeiende huurtermijnen voor een periode van tien jaar om niet over aan zijn eigen vennootschap, een nv. Deze nv activeerde het recht op de toekomstige huurtermijnen op haar balans. De nv nam in haar aangifte vennootschapsbelasting de huurtermijnen als opbrengsten en de afschrijvingen en oprenting als kosten in aanmerking. In deze zaak ging het om de vraag of de afschrijving op de geactiveerde huurvorderingen was toegestaan. De inspecteur meende van niet en corrigeerde de winst bij de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting. De nv ging in beroep bij Rechtbank Haarlem.
De rechtbank maakte bij het beoordelen van het geschil onderscheid tussen de periode vóór en na 1 januari 2001. In de periode vóór 2001 zouden zonder de cessie de huurtermijnen bij de dga zijn belast voor de inkomstenbelasting. Door de overdracht van de toekomstige huurtermijnen bleef de heffing van inkomstenbelasting bij de dga achterwege. In dat geval moest volgens de rechtbank een correctie plaatsvinden bij de nv op grond van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad.
Vanaf 2001 heeft de wetgever volgens de rechtbank voorzien in de heffing van inkomstenbelasting in geval van een cessie om niet, zoals in het onderhavige geval. De rechtbank was van mening dat het voordeel onder de Wet IB 2001 kan worden belast op grond van de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling in box 1 dan wel als voordeel uit sparen en beleggen in de zin van box 3. Aangezien de cessie om niet vanaf 2001 niet meer tot gevolg heeft dat de heffingsmogelijkheden voor de inkomstenbelasting tenietgaan, liet de rechtbank in het midden in welke box het voordeel moet worden betrokken. De rechtbank leidde hieruit af dat vanaf 2001 een redelijke wetstoepassing die recht doet aan de samenhang tussen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting, niet meer voorschrijft dat het voordeel bij de bepaling van de winst van de nv in aanmerking moet worden genomen. Dit voordeel kon buiten de winst blijven door afschrijving en oprenting toe te staan, aldus de rechtbank.
In hoger beroep vernietigde Hof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank, maar uiteindelijk bleek de rechtbank toch op het juiste spoor te zitten. De Hoge Raad heeft beslist dat de overdracht van toekomstige huurtermijnen geen terbeschikkingstelling is in de zin van de Wet IB 2
001. Dit betekent in het onderhavige geval dat de onroerende zaken in de grondslag van box 3 worden betrokken, weliswaar verminderd met de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen. Daar staat dan tegenover een heffing van vennootschapsbelasting bij de nv over de oprenting van het recht op de resterende huurtermijnen en een aanmerkelijkbelangclaim bij de dga over de waardestijging van de aandelen in de nv als gevolg van die oprenting. De Hoge Raad zag in de gewijzigde wetssystematiek geen reden meer om (op grond van de redelijke wetstoepassing) af te wijken van het uitgangspunt dat voordelen die een vennootschap uitsluitend heeft behaald op grond van de aandeelhoudersrelatie, voor de vennootschap buiten aanmerking blijven. Anders gezegd: de nv hoefde de voordelen uit de overdracht van de huurtermijnen niet tot haar winst te rekenen en kon wel afschrijven op het recht op de door de dga geschonken toekomstige huurtermijnen. De Hoge Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Bron: Hoge Raad, 9-10-2009, nr. 07/11868.