Hanteren normprijzen als heffingsmaatstaf bouwleges was onredelijke en willekeurige belastingheffing

20 januari 2010

Samenvatting

Gemeenten heffen doorgaans leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een bouwvergunning. De hoogte van de leges is afhankelijk van de desbetreffende bepalingen in de gemeentelijke legesverordening. Dit verschilt dus van gemeente tot gemeente. In de praktijk blijken gemeenten hun legesverordeningen niet altijd goed op te stellen. Dit bleek onlangs weer eens uit een uitspraak van Rechtbank Breda. De desbetreffende gemeente had de heffingsmaatstaf in de legesverordening gesteld op het hoogste van het bedrag van de feitelijke bouwkosten en het bedrag dat voortvloeit uit de door de gemeente zelf vastgestelde normprijzen. De rechtbank stelde vast dat de gemeente bij de berekening van de bouwleges structureel uitging van de (hogere) normprijzen, waarvan bovendien een objectieve onderbouwing ontbrak. Dit leidde naar het oordeel van de rechtbank tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De rechtbank verklaarde de legesverordening daarom op dit punt onverbindend. Dit leidde ertoe dat de opgelegde aanslag bouwleges van € 24.595 niet in stand kon blijven.

Volledig artikel

Gemeenten heffen doorgaans leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een bouwvergunning. De hoogte van de leges is afhankelijk van de desbetreffende bepalingen in de gemeentelijke legesverordening. Dit verschilt dus van gemeente tot gemeente. In de praktijk blijken gemeenten hun legesverordening niet altijd goed op te stellen. Dit bleek onlangs uit een uitspraak van Rechtbank Breda. De zaak was als volgt.

De procedure betrof de aanvraag van een bouwvergunning voor een vleesvarkensstal. De gemeente legde de varkenshouder een aanslag bouwleges op van € 24.595. De gemeente had de heffingsmaatstaf in de legesverordening gesteld op het hoogste van het bedrag van de feitelijke bouwkosten (€ 726.040 ex btw) en het bedrag dat voortvloeide uit de door de gemeente zelf vastgestelde normprijzen (€ 1.067.055 ex btw). De varkenshouder had de rechtbank offertes overgelegd voor met zijn stal vergelijkbare bouwwerken. Daaruit bleek dat de geraamde bouwkosten € 260 (ex btw) per m2 bedroegen terwijl de gemeente altijd de hoogste normprijs van € 435 (ex btw) per m2 hanteerde.

De gemeenteambtenaar verklaarde voor de rechtbank dat de gemeente de werkelijke bouwkosten bijna nooit als grondslag voor de heffing van bouwleges hanteerde omdat deze in vrijwel alle gevallen minder bedragen dan de door de gemeente gehanteerde normtarieven. Ook gaf de ambtenaar aan dat de gemeente bij het bepalen van de normprijs van € 435 per m2 weliswaar was uitgegaan van normen die omliggende gemeenten hanteren, maar uiteindelijk de eigen normen heeft bepaald omdat die van de andere gemeenten alle van elkaar afweken. De rechtbank verbond hieraan de gevolgtrekking dat van de normprijs van € 435 m2 een objectieve onderbouwing ontbrak.
 
Nu de gemeente bij de berekening van de bouwleges structureel uitging van de (hogere) normprijzen, waarvan bovendien een objectieve onderbouwing ontbrak, was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De rechtbank verklaarde de legesverordening daarom op dit punt onverbindend. Dit leidde ertoe dat de aanslag bouwleges niet in stand kon blijven. Dat was een aardige opsteker voor de varkenshouder.

Opmerking
Discussies over de heffingsgrondslag voor bouwleges komen vaker voor en gemeenten blijken nogal eens de grondslag te ruim te nemen. We verwijzen hiervoor naar onze berichten van 20 november 20031 augustus 2003  en 20 maart 2000). Voor omvangrijke werkzaamheden kan het lonend zijn om na te gaan hoe in de gemeentelijke verordening de heffingsgrondslag is geformuleerd.
 
Bron: Rechtbank Breda, 30-12-2009, nr. 09/2000 (gepubliceerd 13-1-2010).