Samenvatting
De inspecteur kan onder omstandigheden ook over het lopende jaar een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opleggen. In dat geval neemt hij de gegevens die zijn gebruikt voor de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar als uitgangspunt. Hij moet daarbij wel in redelijke mate rekening houden met wijzigingen in de fiscale regels en met andere wijzigingen die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn. Op de inspecteur rust een zorgvuldigheidsplicht. Rechtbank Den Haag heeft onlangs een directeur-grootaandeelhouder een (forfaitaire) proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase en de beroepsfase omdat de inspecteur ten onrechte een hoge voorlopige aanslag over 2008 had opgelegd. Hij had klakkeloos de inkomensgegevens uit 2007 met daarin een incidentele hoge dividenduitkering van € 200.000 gebruikt voor de voorlopige aanslag over 2008. De rechtbank bekeek ook een dividenduitkering van € 450.000 uit 2002, maar deze stond in een te ver verwijderd verband tot de voorlopige aanslag en vond bovendien zijn oorzaak in de liquidatie van een werkmaatschappij.
Volledig artikelAls een belastingschuld pas na afloop van het kalenderjaar kan worden vastgesteld, kan de belastinginspecteur een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opleggen. De inspecteur kan niet zo maar een voorlopige aanslag opleggen, maar is gebonden aan voorschriften. De voorlopige aanslag wordt namelijk opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag na verrekening van eerder opgelegde voorlopige aanslagen en voorheffingen, zoals de ingehouden loonbelasting en dividendbelasting, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Het opleggen van een voorlopige aanslag kenmerkt zich door een zekere ruwheid. Dit is echter geen vrijbrief voor nonchalance. De inspecteur moet zich terdege vergewissen of de belastingaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Illustratief hierbij is een uitspraak van Rechtbank Den Haag. De zaak was als volgt.
Een man bezat een aanmerkelijk belang in een bv. In 2007 keerde de bv een dividend uit van € 200.000. Over voorafgaande jaren 2003 tot en met 2006 had de bv geen dividend uitgekeerd en had evenmin in andere vormen uitkeringen gedaan die fiscaal kwalificeerden als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2-inkomen). In 2002 had de bv een dividenduitkering gedaan van € 450.000. De man gaf in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2007 het dividend aan als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang met daarbij € 30.000 aan ingehouden dividendbelasting. Met dagtekening van 31 januari 2008 ontving de man een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 100.000. Deze voorlopige aanslag was vastgesteld volgens de automatische voorlopige aanslagregeling op basis van de op het moment van het opleggen van de voorlopige aanslag bekende gegevens.
De man maakte bezwaar tegen het vastgestelde box 2-inkomen in de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2008 en merkte op dat de dividenduitkering in 2007 een eenmalige uitkering was. Hij verzocht het box 2-inkomen te verlagen tot nihil en verzocht voorts om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De inspecteur kwam de man in zijn bezwaar tegemoet maar wees het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase af. De zaak kwam voor Rechtbank Den Haag.
De rechtbank merkte op dat de inspecteur volgens de wettelijke regels voor het opleggen van een voorlopige aanslag over een zekere marge beschikt. Maar volgens de rechtbank had de inspecteur de marge in de onderhavige procedure overschreden. Uit het dividendverleden van de vennootschap kon niet anders worden geconcludeerd dan dat het uitkeren van dividend door de vennootschap en het genieten daarvan door de man niet gebruikelijk was en dat de man in 2007 een incidentele bate had genoten. Over de dividenduitkering van € 450.000 uit 2002 merkte de rechtbank op dat deze in een te ver verwijderd verband stond tot de voorlopige aanslag en bovendien zijn oorzaak vond in de liquidatie van een werkmaatschappij, zodat in dat jaar sprake was van een incidenteel (vervreemdings)voordeel.
Verder wees de rechtbank op het eenmalige, uitsluitend voor het jaar 2007 geldende, lagere aanmerkelijkbelangtarief (van 25% naar 22%) als compensatiemaatregel voor directeuren-grootaandeelhouders die in 2007 een te hoge bijdrage voor de Zorgverzekeringswet moesten betalen. In deze omstandigheden mocht worden verwacht dat in 2007 extra dividenduitkeringen zouden plaatsvinden om de compensatie daadwerkelijk te kunnen benutten. Verder vond de rechtbank nog van belang dat het bedrag van de dividenduitkering in absolute zin omvangrijk was.
Dit alles tezamen genomen vond de rechtbank dat de inspecteur niet zorgvuldig genoeg had gehandeld door uitsluitend en simpelweg de gegevens van 2007 bij de hand te nemen voor de voorlopige aanslag over 2008.
De rechtbank verklaarde het b
eroep van de man daarop gegrond en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten. Door de forfaitaire berekeningswijze van de proceskostenvergoeding kreeg de man € 161,- kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase en € 644 voor de beroepsfase.
Bron: Rechtbank Den Haag, 11-6-2009, nr. 08/3994 (gepubliceerd 4-8-2009).