Samenvatting
Op grond van de zogeheten thincapitalisationregeling (‘thincapregeling’) wordt de rente in aftrek beperkt bij het bepalen van de fiscale winst. Deze regeling vindt toepassing als de desbetreffende vennootschap een economische eenheid vormt (een groep) met een of meer andere rechtspersonen en vennootschappen. Bij Rechtbank Den Haag was onlangs de vraag aan de orde of een bv een groep vormde met haar 60%-aandeelhouder. Volgens de rechtbank bestaat er een economische eenheid indien sprake is van een centrale leiding, zodat de rechtspersonen bedrijfseconomisch als één geheel functioneren. Dit is bijvoorbeeld het geval als de ene rechtspersoon beleidsbepalende zeggenschap heeft in een andere rechtspersoon. De rechtbank oordeelde dat de 60%-aandeelhouder beleidsbepalende zeggenschap had over de bv. De aandeelhouder kreeg namelijk een hogere managementvergoeding van de bv dan de andere (40%-)aandeelhouder, waaruit de rechtbank afleidde dat dit management van groter gewicht was dan het management vanuit de andere aandeelhouder. Daarnaast vond de rechtbank het van belang dat de aandeelhouder de meerderheid van de aandelen had. Hierdoor was aannemelijk dat deze aandeelhouder recht had op de meerderheid van de economische voordelen van de bv en voor meer dan de helft het economische risico droeg dat met het vermogen en de activiteiten van de bv werd gelopen.
Volledig artikelBij het bepalen van de fiscale winst is de rente op schulden niet altijd aftrekbaar. Voor de heffing van vennootschapsbelasting is dat onder meer het geval door de zogenoemde thincapitalisationregeling (‘thincapregeling’). Deze regeling is van toepassing bij onderkapitalisatie en houdt – kort gezegd – in dat de rente van geldleningen niet volledig aftrekbaar is als bij de desbetreffende vennootschap sprake is van een teveel aan vreemd vermogen. Er is onder meer sprake van te veel vreemd vermogen voor zover het gemiddeld vreemd vermogen in een jaar meer bedraagt dan driemaal het gemiddeld eigen vermogen in datzelfde jaar en dit meerdere een bedrag van € 500.000 te boven gaat. De thincapregeling is slechts van toepassing als de vennootschap deel uitmaakt van een groep in de zin van het Burgerlijk Wetboek met andere rechtspersonen en vennootschappen. Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak waarin onder meer het groepsbegrip voor de toepassing van de thincapregeling centraal stond.
Een bv had drie dochtervennootschappen en twee aandeelhouders (A bv en B bv). De bv was een samenwerkingsverband tussen A bv en B bv op het gebied van de horeca. A bv was met 60% van de aandelen meerderheidsaandeelhouder van de bv. Met haar drie dochtervennootschappen vormde de bv een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De bv had aan A bv onder meer een schuld ter grootte van € 1.250.000. In haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2005 had de bv de rente op de schuld aan A bv in aftrekbaar gebracht op de winst. De inspecteur was bij het opleggen van de aanslag van mening dat een deel van de rente door de thincapregeling niet in aftrek kon komen. Omdat de inspecteur in de bezwaarfase zijn standpunt over de aftrekbaarheid van rente handhaafde, ging de bv in beroep bij Rechtbank Den Haag.
De rechtbank moest voor de toepassing van de thincapregeling eerst oordelen of de bv een groep vormde met A bv. Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen (bijvoorbeeld twee bv’s) organisatorisch zijn verbonden. De rechtbank oordeelde dat van een economische eenheid sprake is als de activiteiten van een rechtspersoon in wezen worden uitgevoerd ten behoeve van een andere rechtspersoon, conform de specifieke wensen van die rechtspersoon. Bedrijfseconomisch kunnen die rechtspersonen als één geheel functioneren, indien sprake is van een centrale leiding. Dit is bijvoorbeeld het geval als een rechtspersoon beleidsbepalende zeggenschap heeft over een andere rechtspersoon, zodat hij de andere rechtspersoon op zodanige wijze beheerst of kan beheersen dat hij in feite recht heeft op de meerderheid van de economische voordelen van die andere rechtspersoon en in feite voor meer dan de helft het economische risico draagt dat met het vermogen en de activiteiten van de andere rechtspersoon wordt gelopen. De rechtbank vond het standpunt van de bv juist dat tussen de bv en haar dochtervennootschappen een groepsrelatie bestond, omdat zij deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid. Maar dit betekende volgens de rechtbank nog niet dat tussen de bv en haar aandeelhouder (A bv) geen groepsrelatie zou kunnen bestaan.
De rechtbank oordeelde dat A bv beleidsbepalende zeggenschap had over de bv. Dit leidde de rechtbank af uit de managementvergoedingen en het aandelenbezit. A bv verkreeg een hogere managementvergoeding dan B bv, waardoor het management vanuit A bv volgens de rechtbank kennelijk van groter gewicht was dan het management vanuit B bv. Daarnaast bezat A bv 60% van de aandelen en B bv 40%. Door het meerderheidsbelang achtte de rechtbank het aannemelijk dat A bv recht had op de meerderheid van de economische voordelen van de bv en voor meer dan de helft het economische risico droeg dat met het vermogen en de activiteiten van de bv werd gelopen. Ten slotte waren er volgens de rechtbank geen feiten en omstandigheden, op grond waarvan kon worden aangenomen dat de beleidsbepalende zeggenschap van A bv was ingeperkt.
De rechtbank concludeerde v
ervolgens dat sprake was van een groep, zodat de inspecteur terecht de aftrek van de rente had beperkt. De inspecteur had echter de rente die op grond van de thincapregeling was uitgesloten, niet op de juiste wijze berekend. Op dat punt werd de bv daarom toch nog in het gelijk gesteld en werd de aanslag in zoverre verminderd.
Bron: Rechtbank Den Haag, 2-7-2009, nr. AWB08/5696 (gepubliceerd 15-10-2009).