Hoge Raad wel akkoord met regeling tariefsverlaging vennootschapsbelasting voor 2002

24 december 2009

Samenvatting

Per 1 januari 2002 is het tarief van de vennootschapsbelasting omlaag gegaan van 30% naar 29% over de eerste € 22.689 en van 35% naar 34,5% over het meerdere. De tariefsverlaging was van toepassing op boekjaren die aanvingen op of na 1 januari 2002 en bevatte, anders dan bij voorafgaande en navolgende tariefsverlagingen, geen overgangsregeling voor vennootschappen met een gebroken boekjaar. Een bv met een gebroken boekjaar 2001/2002, dat liep van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002, was van mening dat de winst over de eerste acht maanden van 2002 ook onderworpen moest zijn aan het lagere vennootschapsbelastingtarief. De rechtbank en het hof stelden de bv in het gelijk. De Hoge Raad heeft echter anders beslist. Een eventueel getroffen overgangsmaatregel herstelt niet (volledig) de gelijkheid met vennootschappen die geen gebroken boekjaar kennen en ook niet tussen vennootschappen met een gebroken boekjaar onderling. De winst van een vennootschap wordt namelijk in het algemeen niet gelijkmatig over het jaar gerealiseerd. Bij een zuivere toerekening van de winst van een gebroken boekjaar zou een tussentijdse jaarafsluiting op 31 december moeten plaatsvinden. Dat sluit niet aan bij een vennootschap met een gebroken boekjaar en het leidt tot aanzienlijke uitvoeringstechnische bezwaren. Mede omdat het een relatief geringe tariefsverlaging betrof, was de Hoge Raad van oordeel dat de wetgever zijn op fiscaal gebied ruime beoordelingsvrijheid niet had overschreden door een overgangsmaatregel achterwege te laten.

Volledig artikel

Per 1 januari 2002 is het tarief van de vennootschapsbelasting omlaag gegaan om een extra impuls te geven aan het Nederlandse fiscale vestigings- en ondernemingsklimaat. Het tarief is over de eerste € 22.689 omlaag gegaan van 30% naar 29% en over het meerdere van 35% naar 34,5%. De tariefsverlaging was van toepassing op boekjaren die aanvingen op of na 1 januari 2002 en bevatte, anders dan bij voorafgaande en navolgende tariefsverlagingen, geen overgangsregeling voor vennootschappen met een gebroken boekjaar.
 
Een bv met een gebroken boekjaar 2001/2002 dat liep van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 was op grond van het gelijkheidsbeginsel van mening dat de winst over de eerste acht maanden van 2002 ook onderworpen moest zijn aan het lagere vennootschapsbelastingtarief. Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam stelden de bv in het gelijk. De staatssecretaris van Financiën stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
 
De Hoge Raad wees op het tijdsvertragende aspect van een gebroken boekjaar. De gevolgen van een lastenverlichting treden later in werking maar dat geldt ook voor de gevolgen van een lastenverzwaring. De wetgever kan op het eerste gezicht zonder aanzienlijke uitvoeringsproblemen voor de belastingdienst en de vennootschappen op vrij eenvoudige wijze een gelijkheid creëren tussen vennootschappen met een gebroken boekjaar en vennootschappen met een boekjaar dat gelijk is aan het kalenderjaar. Dit is mogelijk door de tariefsverlaging bij een gebroken boekjaar tijdsevenredig van toepassing te verklaren op al op 1 januari 2002 lopende gebroken boekjaren. Zo’n overgangsmaatregel zou volgens de Hoge Raad echter niet (volledig) de gelijkheid herstellen met vennootschappen die geen gebroken boekjaar kennen en ook niet tussen vennootschappen met een gebroken boekjaar onderling. De Hoge Raad vond hierbij het gegeven van belang dat de winst van een vennootschap in het algemeen niet gelijkmatig over het jaar wordt gerealiseerd. Bij een zuivere toerekening van de winst van een gebroken boekjaar zou een tussentijdse jaarafsluiting op 31 december moeten plaatsvinden. Dat sluit niet aan bij de keuze van een vennootschap met een gebroken boekjaar en leidt daarom tot aanzienlijke uitvoeringstechnische bezwaren.
 
Mede omdat het een relatief geringe tariefsverlaging betrof, was de Hoge Raad van oordeel dat de wetgever zijn op fiscaal gebied ruime beoordelingsvrijheid niet had overschreden door een overgangsmaatregel achterwege te laten. De Hoge Raad stelde de staatssecretaris in het gelijk en vernietigde de uitspraak van Hof Amsterdam.
 
Bron: Hoge Raad, 18-12-2009, nr. 44021.