Samenvatting
Voor de boekwinsten die u hebt behaald met het verkopen van bedrijfsmiddelen, kunt u onder voorwaarden een herinvesteringsreserve vormen. Met de herinvesteringsreserve verkrijgt u uitstel van belastingheffing over de boekwinst. Eén van de voorwaarden voor het vormen van een herinvesteringsreserve per einde van het boekjaar is, dat u een voornemen moet hebben tot herinvestering van de opbrengst. Uit een recente uitspraak van Hof Arnhem over de vervangingsreserve (de voorganger van de herinvesteringsreserve) blijkt dat ook bij een tijdelijke stillegging van een onderneming een vervangingsvoornemen kan bestaan. In de desbetreffende procedure had een man zijn assurantieportefeuille in 1999 noodgedwongen (geldnood vanwege een zeer slepende en persoonlijk erg aangrijpende juridische procedure) verkocht en ging vervolgens werken in loondienst. Het hof vond het op basis van de feiten toch aannemelijk dat de man ultimo 1999 een vervangingsvoornemen had. Daar deed niet aan af dat hij op de dag van de zitting voor Hof Arnhem in februari 2009 nog steeds geen vervangende assurantieportefeuille had teruggekocht.
Volledig artikelVoor de boekwinsten die u hebt behaald met het verkopen van bedrijfsmiddelen, kunt u onder voorwaarden een herinvesteringsreserve vormen. Met de herinvesteringsreserve verkrijgt u uitstel van belastingheffing over de boekwinst. Eén van de voorwaarden voor het vormen van een herinvesteringsreserve per einde van het boekjaar is, dat u een voornemen moet hebben tot herinvestering van de opbrengst. Uit een recente uitspraak van Hof Arnhem over de vervangingsreserve (de tot en met het jaar 2000 fungerende voorganger van de herinvesteringsreserve) blijkt dat ook bij een tijdelijke stillegging van een onderneming een vervangingsvoornemen kan bestaan. De zaak was kort weergegeven als volgt.
Een man oefende in 1999 zijn onderneming -een assurantiebemiddelingsbedrijf- uit in zijn eigen woning. Kort na de oplevering van de woning (omstreeks 1988) kwamen bouwkundige gebreken aan het licht. De man spande daarop een aantal juridische procedures aan tegen de architect en de gemeente. De procedures kleedden de man financieel uit en grepen hem zodanig persoonlijk aan dat hij vreesde dat cliënten door de ontstane situatie mogelijk zouden wegblijven. Hij verkocht daarom zijn assurantieportefeuille in april 1999 aan een derde. De man ging vervolgens werken in loondienst. Zijn voornemen was weer een nieuwe assurantieportefeuille terug te kopen als de juridische procedures achter de rug waren.
De inspecteur accepteerde de vervangingsreserve niet omdat hij het op grond van de feiten niet aannemelijk vond dat de man op 31 december 1999 nog een vervangingsvoornemen had. Rechtbank Arnhem stelde de inspecteur in het gelijk.
Voor Hof Arnhem stelde de man dat hij nog steeds een nieuwe assurantieportefeuille wilde terugkopen. Hij gaf aan dat onvoldoende financiële middelen de oorzaak ervan waren geweest, dat de verkochte portefeuille nog steeds niet was vervangen, maar dat dat geen invloed had op zijn vervangingsvoornemen en ook geen argument kon zijn om de vervangingsreserve te weigeren. Hij wees daarbij op een arrest van de Hoge Raad uit 2007. De man gaf aan in de verzekeringswereld werkzaam te willen blijven en dat dat vak zijn ziel en zaligheid was. Hij gaf aan er van overtuigd te zijn dat hij de procedures zou winnen. Het hof stelde vast dat technische en juridische adviseurs van de man inderdaad hadden verklaard dat zij zijn claim zeer zeker haalbaar achtten.
Alles afwegende vond het hof aannemelijk dat de man ultimo 1999 een vervangingsvoornemen had. Daar deed niet aan af dat hij op de dag van de zitting voor Hof Arnhem (in februari 2009, dat wil zeggen bijna tien jaar later!) nog steeds geen vervangende assurantieportefeuille had teruggekocht. Het hof stelde de man in het gelijk.
Opmerking
Tot de wetswijziging van 1 januari 2001 bestond een sterk gelijkende faciliteit: de vervangingsreserve Sinds de wetswijziging zijn de toepassingsvoorwaarden van deze faciliteit voor bedrijfsmiddelen waarop in minder dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, op bepaalde onderdelen versoepeld. Zo is de eis dat het vervangende bedrijfsmiddel economisch dezelfde plaats inneemt in de onderneming als het vervreemde bedrijfsmiddel, voor deze categorie bedrijfsmiddelen komen te vervallen. Voor bedrijfsmiddelen waarop niet of over een periode van meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven, bestaat die eis nog wel. Verder is ook het voornemen tot herinvestering (tot 2001: voornemen tot vervanging) gebleven.
Bron: Hof Arnhem, 7-4-2009, nr. 07/00132.