Samenvatting
Hof Amsterdam heeft in een feitelijke procedure beslist dat een nabetaling op de aankoopprijs van een eerder verworven bv bij de verkoper ook onder de deelnemingsvrijstelling valt en daardoor bij de koper niet aftrekbaar is van de winst. De procedure betrof een bv die in 2000 85% van de aandelen in een andere bv (Radio bv) had gekocht. In de koopovereenkomst was een bepaalde clausule opgenomen. De oude aandeelhouders zouden een nabetaling krijgen als de bv een FM-frequentie zou weten te bemachtigen en/of behouden. Dat gebeurde in 2003. De bv deed dat jaar een nabetaling aan de oude aandeelhouders van Radio bv en bracht de nabetaling ten laste van de winst. De inspecteur weigerde de aftrek. In de recente ontwikkelingen van de rechtspraak van de Hoge Raad inzake de deelnemingsvrijstelling en ook in de per 1 januari 2002 gewijzigde deelnemingsvrijstelling zag het hof aanknopingspunten om tot zijn oordeel te komen dat de nabetaling bij de verkoper ook onder de deelnemingsvrijstelling viel en bij de koper niet aftrekbaar was van de winst.
Volledig artikelHof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een in 2003 verrichte nabetaling op de aankoopprijs van een eerder verworven bv (een deelneming) toch aftrekbaar van de winst zou zijn. De (feitelijke) procedure was -kort gezegd- als volgt.
Een bv had in oktober 2000 85% van de aandelen in een andere bv (Radio bv) verworven. Het was in 2000 nog onzeker of Radio bv in de toekomst nog over een FM-frequentie zou kunnen beschikken, omdat mogelijk een veiling zou plaatsvinden van de FM-frequenties. In het koopcontract van Radio bv was vastgelegd, dat de voormalige aandeelhouders een nabetaling zouden krijgen als Radio bv inderdaad een frequentie zou weten te bemachtigen. In 2003 kreeg Radio bv een frequentie toebedeeld. De bv deed aan de voormalige aandeelhouders een nabetaling en bracht die ten laste van de winst. De inspecteur weigerde echter de aftrek. Naar zijn mening viel de nabetaling bij de verkopers onder de deelnemingsvrijstelling en diende de nabetaling bij de kopers te worden geactiveerd als onderdeel van de kostprijs van de deelneming. Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam (hierna: het hof) stelden de inspecteur in het gelijk.
Het hof stelde voorop dat de nabetaling (additionele koopprijs) alleen dan ten laste van de winst kan worden gebracht, als de verkopers (voormalige aandeelhouders) niet een economisch belang in de zin van rechtspraak van de Hoge Raad hebben behouden bij de door hen verkochte aandelen. In de onderhavige procedure was naar het oordeel van het hof daarvan wel sprake. Voor een radiostation is het (blijven) beschikken over een FM-frequentie dermate essentieel voor de bedrijfsvoering, dat sprake is van een bedrijfsmiddel zonder welk de onderneming (radiostation) geen geen bestaansrecht of bestaansreden meer zou hebben. Een dergelijk essentieel bedrijfsmiddel moet worden geacht een overwegende invloed te hebben op de winstcapaciteit en winstontwikkeling van de onderneming. In een dergelijke situatie bestaat volgens het hof een (voldoende) oorzakelijk verband tussen het essentiële bedrijfsmiddel en de waarde(ontwikkeling) van de aandelen van het lichaam, dat die onderneming drijft.
In onderhavige procedure vormde de FM-frequentie voor Radio bv een zodanig essentieel bedrijfsmiddel dat een gedeelte van het (economische) belang bij die aandelen ook na de verkoop bij de voormalige aandeelhouders was blijven rusten. Het hof zag zich in zijn oordeel gesterkt in de ontwikkelingen in de arresten van de Hoge Raad, waarin een (steeds) verdergaande betekenis werd gehecht aan economische rechten in relatie tot de juridische eigenaar/aandeelhouder. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 14 oktober 2005 dat bij opsplitsing van het (economisch) belang bij tot een deelneming behorende aandelen, bij alle belanghouders de deelnemingsvrijstelling van toepassing is.
Ook in de wijziging van de deelnemingsvrijstelling per 1 januari 2002 zag het hof een aanknopingspunt voor zijn oordeel. Deze wijziging hield - kort gezegd - in dat elke prijs welke (deels) bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat, voortaan onder de deelnemingsvrijstelling valt. De nieuwe regeling bracht dus een additionele koopprijs (zoals in onderhavige procedure) binnen het bereik van de deelnemingsvrijstelling. Hoewel Radio bv nog vóór de wijziging van de deelnemingsvrijstelling van 1 januari 2002 was verworven, hield dit volgens het hof niet in dat daaraan dan (in tegengestelde redeneerwijze) de conclusie kon worden verbonden dat de nabetaling buiten de deelnemingsvrijstelling zou vallen. Het hof zag de nieuwe wettelijke regeling eerder een vastlegging van ontwikkelingen in de rechtspraak van de Hoge Raad, die zich onder de oude maar voor onderhavige procedure nog van toepassing zijnde regeling voor de deelnemingsvrijstelling hadden voorgedaan. Het hof verklaarde daarop het hoger beroep van de bv ongeg
rond.
Bron: Hof Amsterdam, 18-6-2009, nr. 07/00950 (gepubliceerd 1-7-2009).